‘In de VS begin je met veel geld en een leeg lab’

Afstudeerceremonie aan Columbia University, New York foto Getty Images

Alexander van Oudenaarden (42) verhuisde deze zomer met zijn gezin van Cambridge aan de Amerikaanse oostkust naar Nederland om er directeur te worden van het Hubrecht Instituut voor ontwikkelingsbiologie en stamcelbiologie in Utrecht. In de bijna vijftien jaar die hij als onderzoeker in de VS werkte, raakte hij zo verweven met het land dat hij nu soms moet zoeken naar de juiste Nederlandse woorden.

“Het grote verschil is dat ze in Amerika jonge mensen veel verantwoordelijkheid geven. Je hebt er als jonge onderzoeker dezelfde verantwoordelijkheden als een professor die er al dertig jaar zit en de Nobelprijs heeft gekregen. Daardoor krijg je een heel platte organisatie. Een onderzoeker zit volgens mij in zijn golden years als hij dertig is, dat is een fantastische tijd om ontdekkingen te doen.

“In Nederland bestaat er vaak nog een enorme piramide, waarin je slechts langzaam kunt opklimmen. Bovenin de oude professor en onderin de studenten, dat is het klassieke model. Maar dat is gelukkig al aan het veranderen. Het Hubrecht Instituut is al een beetje op Amerikaanse leest geschoeid. Nieuwe groepsleiders krijgen een aanstelling van zes jaar en worden na afloop door een externe commissie geëvalueerd. Als ze goed zijn, krijgen ze een vaste positie. Dat levert uiteindelijk betere wetenschap op; alle creativiteit van jonge mensen gaat direct het lab in.

“Na mijn promotie als vaste-stoffysicus in Delft werkte ik twee jaar als postdoc aan Stanford University. Geleidelijk aan kwam mijn onderzoek steeds dieper in de biologie. In 2000 werd ik assistant professor bij het Massachusetts Institute of Technology, MIT. Daar begin je met een leeg lab en een zak met geld en moet je het in vrij korte tijd waarmaken. Na vier, vijf jaar bekijkt een externe commissie van vakgenoten of je het goed gedaan hebt. Er wordt van je verwacht dat je dan in de wereld de beste of een na beste op je vakgebied bent. Het is een harde leerschool, want als het niet goed gaat, moet je op zoek naar iets anders. Wie het wel haalt – gemiddeld een op de drie – krijgt een vaste baan als associate professor. Dat werd ik in 2004. Vier jaar later werd ik full professor.

“Ik heb altijd in mijn achterhoofd gehad dat ik ooit weer naar Nederland terug zou gaan. Tijdens mijn werk in Amerika kreeg ik ook regelmatig aanbiedingen vanuit Nederland. Meestal zochten ze dan een vervanger voor een hoogleraar die met pensioen ging. Ik heb het niet gedaan, want dan erf je een groep mensen wier neuzen al een bepaalde kant opstaan. Dan is het heel lastig een nieuwe richting op te gaan.”

“Vier jaar geleden bracht ik mijn sabbatical door bij het Hubrecht Instituut, een heel leuke plek. Directeur Hans Clevers vroeg mij of ik groepsleider wilde worden, maar ik koos toch voor het MIT. In 2010 kwam Clevers bij mij terug met het aanbod om co-directeur te worden. Dat leek mij wel aantrekkelijk, want dan zou ik richting kunnen geven aan het hele instituut. Ik heb ja gezegd, op voorwaarde dat ik eerst mijn werk in Cambridge kon afronden. Intussen werd Clevers president van de KNAW en bleef ik over als enige directeur. Per 1 september ben ik begonnen.

“Nu run ik twee labs parallel; mijn nieuwe hier op het Hubrecht en mijn oude op afstand. Vandaar die grote microfoon hier naast mijn computer. Ik overleg veel via Skype met mijn oude medewerkers. Een paar mensen van het MIT is overigens ook mee verhuisd naar Utrecht.

“Als professor in Amerika ben je verplicht negen maanden onderwijs te geven, in mijn geval natuurkunde. Daarmee verdien je je salaris dat eigenlijk wel voldoende is voor het hele jaar. Maar voor de overige drie maanden kun je wel extra beurzen aanvragen. Dat geeft een andere dynamiek dan in Nederland, waar je als universitair medewerker een volledig jaarsalaris krijgt.

“In Amerika heb je verspreid over het land kleine eilandjes, waar het academische onderzoek van heel hoge kwaliteit is. In Cambridge bijvoorbeeld heb je Harvard University en MIT, met ongelooflijk veel goede mensen op een heel klein oppervlak. Als je op zoek bent naar de wereldexpert op een bepaald gebied, dan is de kans groot dat je die kunt vinden in het volgende gebouw. Ga je wat verder het land in, dan zijn de universiteiten ineens veel minder goed. In Nederland zijn de verschillen onderling veel kleiner; eigenlijk zijn de universiteiten er allemaal wel goed.

“De verschillen vergroten zich alleen maar in Amerika. Goede wetenschappers trekken goede studenten aan, waardoor het voor wetenschappers weer aantrekkelijker wordt daar naartoe te komen. Op de beste plekken kom je alleen maar mensen tegen die gaan voor de top.

“En ja, het klopt dat Amerikanen langere werkdagen maken. Bij het MIT leefden mensen als het ware in het lab. In Nederland werken onderzoekers vaker van negen tot vijf, maar ik weet niet of dat uiteindelijk uitmaakt in productiviteit.”