Ik was niet gelukkig geworden als partijleider

Dit is het laatste weekend van het eerste kabinet-Rutte. Jan Kees de Jager was veruit de populairste minister. Jarenlang werd hij vooral geïnterviewd over de euro. Daags voor zijn vertrek praat hij wat makkelijker over zichzelf. „Een prettig vooruitzicht dat ik iets anders kan gaan doen.”

Jan Kees de Jager in een Duesenberg SJ Lagrande uit 1935. Foto David van Dam

Jan Kees de Jager kijkt verlekkerd om zich heen. Links van hem staat een rode Cadillac, die ooit eigendom was van Elvis Presley. Rechts een Ford Edsel uit 1957. De demissionair minister van Financiën, fervent autoliefhebber, drentelt met een glimlach door het Haagse Louwman Museum. Daar wordt de ambiance gecreëerd voor een persoonlijk gesprek – waar De Jager al die jaren als bewindsman voor terugdeinsde.

Ruim zes jaar diende hij dag en nacht het landsbelang, zoals hij het noemt. En dus wordt het de hoogste tijd voor een nieuwe stap in zijn bliksemcarrière. „Ik wil misschien het internationale bedrijfsleven in”, peinst hij in de bibliotheek van het museum, waar de open haard zachtjes knettert. En hij wil graag meer tijd doorbrengen met zijn levenspartner, Michael Angelo Schoop, steward bij KLM.

Jan Cornelis de Jager (43) praat makkelijker over economische vraagstukken dan over zichzelf. Altijd gedaan, zal altijd zo blijven. Wel over credit default swaps, niet over zijn persoonlijke gedachten over werk of partij. Dat wil hij vlak voor zijn vertrek uit Den Haag best toegeven. „Ik ben gesteld op mijn privacy”, zegt De Jager, die van 2007 tot 2010 staatssecretaris van Financiën was en na de val van Balkenende IV promoveerde tot minister van hetzelfde departement. Hij was jarenlang de meest geliefde minister.

Hoe word je zo populair in Den Haag?

„Die vraag beantwoorden vind ik pretentieus. Maar wat waarschijnlijk meespeelt is dat ik inhoudelijk mijn zaakjes op orde heb. Ik kan goed een koers uitzetten. Ik ben niet bang een vervelende boodschap over te brengen. En ik heb geleerd kort en bondig te formuleren. Dat moet ook wel, want in de supermarkt word ik geregeld staande gehouden door mensen die over Griekenland willen praten. Dan kan je geen ellenlange monoloog afsteken.”

U vertelt nu, bij uw afscheid, zonder schroom waar u goed in bent. Een on-Nederlandse eigenschap.

„Ik sla mezelf niet op de borst. Ik heb veel moeten leren. Volgens mijn vrienden ben ik niet veranderd in Den Haag. Het zal de Zeeuwse nuchterheid wel zijn.”

Is het niet moeilijk om jezelf te blijven onder de Haagse kaasstolp?

„Daar hoef ik weinig voor te doen. Dat zit in me. Bovendien weet je dat je maar voor beperkte tijd politicus bent. Binnenkort neemt een ander het over.”

Iets om naar uit te kijken?

„Ik heb de afgelopen jaren met veel plezier in Den Haag gewerkt, veel geleerd. Het was een voorrecht hier te mogen werken. Maar het waren ook tropenjaren, met name als minister. Ik vind het een prettig vooruitzicht dat ik iets anders kan gaan doen.”

De Jager, zoon van een fruitteler, groeide op in het Zeeuwse Kapelle, samen met zijn oudere broer. Hij was een ondernemend kind. „Toen ik acht was kocht ik afgedankt speelgoed van leeftijdsgenoten voor een goed prijsje. Dat verkocht ik door aan jongere kinderen. Soms in de garage van mijn ouders, soms stalde ik het uit op straat. Een recyclingmarktplaats avant la lettre.”

Het gezin was gelovig. De Jager ging naar een school met een christelijke grondslag. Voelt hij zich als CDA’er christen? Ach. Hij haalt zijn schouders op. „Dat is zo’n privébeleving. Ik geloof wel ergens in. Kennen jullie die KRO-leus... eh...”

Het gevoel blijft?

„Ja! Dat vind ik wel een goede omschrijving.”

De Jager leerde het ondernemersvak echt kennen toen hij tijdens zijn studie bedrijfseconomie aan de Erasmus Universiteit een bedrijfje oprichtte. Met wat later ISM eCompany zou gaan heten ontwikkelde hij onder meer geurzuilen, die hij verkocht aan bedrijven als de Bijenkorf. Vol geestdrift vertelt hij over zijn slimmigheid: „Ik beschikte over wetenschappelijk onderzoek van een Duitse professor die geurvoorkeuren koppelde aan vormen en kleuren. Op basis daarvan hebben mijn zakenpartner en ik zuilen ontwikkeld. Klikte je daar dan op, dan rolde er een advies uit: deze drie geuren passen het beste bij u.” De studievrienden hadden in het begin een oude huurauto; bij bezoeken aan cliënten parkeerden zij een straat verderop.

Dat De Jager in 2007 inging op het aanbod van Balkenende, destijds CDA-leider en premier, om staatssecretaris van Financiën te worden, had niets met zijn geloofsovertuiging te maken. Weliswaar had hij als scholier een bestuursfunctie bij het CDJA vervuld en was hij partijpenningmeester. Maar een bestuurlijke post in Den Haag was nooit een wens. „Balkenende vroeg mij in de periode voor ik staatssecretaris werd of ik deel uit wilde maken van het Innovatieplatform: een groep ministers, hoogleraren, MKB-ondernemers en topbestuurders. Door mijn ervaringen in die club begon mijn interesse voor het landsbestuur te groeien.”

U had een goedlopend, maar klein bedrijf. Dacht u niet: waar ben ik nu terechtgekomen?

„Ik zat ineens naast de topman van Shell en Philips. Dat was bijzonder, ja. Maar ik deed wel erg mijn best, dat stelde men op prijs. In die tijd zag ik veel zaken die verbetering behoeften. De overheid schoot tekort: in de dienstverlening, in de manier waarop zij regels opstelt en handhaaft. Ik heb vaak mijn grieven geuit. Toen vroeg Balkenende me en vanuit het niets werd ik de baas van meer dan 30.000 mensen.”

Zelf had u als automatiseerder tweehonderd werknemers: een flinke overstap.

„Ik heb als ondernemer geleerd hoe je met mensen moet omgaan. Hoe je een complex probleem op een eenvoudige manier uitlegt. De schaalgrootte van een probleem maakt voor de analyse niet eens zoveel uit. Wel de manier van werken en denken. Door post te vatten in de Bijenkorf en mensen naar hun voorkeuren te vragen kwam ik als jonge ondernemer veel te weten. Toen ik bij het ministerie kwam, stelde ik ook voortdurend vragen. Ik wilde bijvoorbeeld van belastingplichtigen en bedrijven weten waarom het aangifteproces bij de Belastingdienst misliep. Er ging daar van alles mis. Mijn eerste klus was meteen een pittige.”

Zijn ondernemers bij uitstek goede bestuurders?

„Ik zeg niet dat je ondernemer geweest moet zijn om bewindspersoon te worden. Ik zeg ook niet dat 80 procent van de ministers en staatssecretarissen uit het bedrijfsleven moet komen. Maar twee of drie in het kabinet? Dat zou niet verkeerd zijn. Het bedrijfsleven is belangrijk voor de overheid, omdat bijna al onze belastingopbrengsten daar vandaan komen. Maar ook voor de werkgelegenheid heb je het bedrijfsleven nodig.”

Ondernemers klagen vaak over ‘Den Haag’. Wat zijn terechte klachten van ondernemers?

„Eén: de overheid gaat te veel uit van wantrouwen. Twee: als er iets misgaat heeft de overheid de neiging zaken dicht te reguleren. En drie: het ontslagrecht zit ondernemers dwars. Het voelt bijna als een huwelijk, iemand in dienst nemen.”

Minister zijn is volgens De Jager een baan en een leven tegelijk. Op de vraag wat hij als het hoogtepunt van zijn Haagse periode beschouwt, noemt hij het Lenteakkoord: de (inmiddels achterhaalde) overeenkomst waarbij vijf partijen in sneltreinvaart een miljardenbezuiniging bijeenschraapten. Als een oliemannetje wandelde hij twee dagen lang tussen de partijen heen en weer. De media dichtten De Jager een heldenrol toe – die hij niet ontkracht. „Ik geniet veel vertrouwen, bij alle partijen. Dat werd toen heel zichtbaar. Ik heb collega’s nooit kunstjes geflikt. Ook niet bij de oppositie: ik verplaatste mezelf in álle partijen.”

U heeft iets van een kameleon.

Hij glimlacht. „Dat heb ik te danken aan mijn ervaringen als ondernemer. Een ondernemer moet naar anderen luisteren. Met beide benen op de grond staan.”

Ideale eigenschappen voor een partijleider. Kunt u nog één keer uitleggen waarom u die functie niet wilde?

„Omdat ik ook heel veel eigenschappen ontbeer die iemand tot een goede partijleider maken. De functie is veel politieker dan een ministerspost. Je moet als partijleider verschillen accentueren in plaats van overeenkomsten zoeken. De media mogen mij dan vaak als tough negotiator in Europa hebben afgeschilderd – deels terecht overigens – maar in essentie ben ik een bruggenbouwer.”

Een bruggenbouwer kan geen goede partijleider zijn?

„Tijdens de campagne werd gezegd: deze partij heeft A gezegd en het CDA zegt liever B. Kun jij, Jan Kees, niet heel duidelijk zeggen dat A slecht is? ‘Nee’, antwoordde ik. ‘Want B is goed, maar A is niet slecht.’ Ik kan geen verhaal houden dat haaks staat op mijn overtuigingen. Als partijleider moet je verschillen uitvergroten.”

Dat is onwaarachtig?

„Het hoort nou eenmaal bij de politiek. Mensen willen verschil zien.”

Verklaart dat uw populariteit bij CDA’ers: ze hebben geen idéé welke richting u met de partij uit wilt.

„Ik denk dat ze mijn ideeën wel kennen.”

Maar publiekelijk heeft u nooit oplossingen aangedragen om het CDA weer uit het slop te trekken.

„Ik heb mij vanaf het begin gerealiseerd dat ik als minister van Financiën in crisistijd veel op mijn bord heb. Ik ben voortdurend in de publiciteit. Het leek mij beter als ik mij niet overal over uitsprak.”

Noemt u eens één ding dat nodig is voor een wederopstanding.

„Nou, eh... ik heb ervoor gekozen om mij niet beschikbaar te stellen voor de lijst, op welke plaats dan ook. Ik twil niemand voor de voeten lopen.”

Het is een veelgehoorde klacht in de partij: nu we het moeilijk hebben, geeft De Jager niet thuis.

„Toen Jan Peter in 2007 een beroep op mij deed om staatssecretaris te worden heb ik duidelijk gezegd: maximaal vier jaar. Aan die periode werd twee jaar vast geplakt omdat er een functie in crisistijd vrijkwam. Ik heb, kortom, gevolg gegeven aan verzoeken. Maar los daarvan: de overtuiging ontbrak. Het politiek leiderschap staat te ver van mij af.”

U hebt er de capaciteiten niet voor?

„Het is zeer de vraag of ik het CDA een dienst had bewezen als ik tegen mijn gevoel in partijleider was geworden. Ik was niet gelukkig geworden in die rol.”

Partijvoorzitter Ruth Peetoom heeft u bijna gesmeekt: doe het alsjeblieft.

„Ik laat in het midden wat ze precies hebben gezegd. Maar uiteindelijk moet je dit soort beslissingen alleen nemen. Heel veel mensen riepen: je móét het doen. Als ik een peiling zou kunnen houden dan... Maar goed, je moet naar je gevoel luisteren.”

U praat veel over stoffelijke zaken, maar in wezen bent u een gevoelsmens.

Hij grinnikt, ietwat onbeholpen. „Op een gecontroleerde, degelijke manier, dat wel.”

Volgens mede-CDA’er en vriend Jack de Vries wilde u niet omdat u vreesde dat u in een glazen huis terechtkwam.

„Ook ministers en staatssecretarissen leven in een glazen huis. Dat weet je van tevoren. Maar ik ben, nogmaals, geen beroepspoliticus. Ik wilde dit tijdelijk doen. Ik voelde, ook weer na de verkiezingen, dat het welletjes was.”

U heeft nooit getwijfeld: moet ik partijleider worden?

„Ik heb het overwogen.”

Ook nog in de periode voor de lijsttrekkersverkiezing?

„Ja, want het is me nogal een vraag. Daar zeg je niet zomaar nee tegen.”

Als we rondvragen ‘wat zou De Jager gaan doen’, horen we: hij wordt vast topman van een groot bedrijf of Europees commissaris.

„Dat laatste zeker niet. Ik wil iets doen dat niet publiek of semipubliek is. Als je zo hebt meegeregeerd als ik, moet je een tijd afstand nemen.”

Een tijd?

Lachend: „Twintig jaar.”

U heeft geen plannen?

„Nog niet, anders dan een abstracte notie dat ik misschien het internationale bedrijfsleven in wil. Maar wat en hoe? Ik wil eerst een paar weken slaap inhalen voordat ik knopen doorhak.”

Er zijn mensen die zich oprecht zorgen maken over uw gezondheid.

„Het gaat heel goed met mijn gezondheid. Ik ben in zes jaar tijd geen dag ziek geweest, althans, niet in de zin dat ik mij ziek heb gemeld.”

U zag er vermoeid uit. U gaapte tijdens bijeenkomsten.

„Er waren perioden dat ik in een paar dagen tijd een paar uur sliep. Dan kwam ik om zeven uur in Brussel aan na een nachtelijke sessie bij de vorming van een nieuw kabinet. Moest ik gelijk aan de bak als minister om het belang van Nederland te dienen. Gelukkig is daar geen narigheid van gekomen. Ik kan met weinig slaap toe, maar gezond is het niet. Je moet dit niet heel veel jaren doen.”

Uw bijnaam is Mr. Coca-Cola. U zou zich staande houden met de frisdrank.

„Ja, en met koffie. Cola is niet altijd voldoende.”

Hoe komt het dat mensen zo weinig over uw privéleven weten?

„Je moet ergens de grens trekken. Het liefst vertel ik in interviews over de inhoud van mijn werk. Maar goed, als jullie een vraag over mijn relatie willen stellen...” De Jager aarzelt. „Het is niet altijd makkelijk om... het is een heel druk bestaan. Dat weet je als je dit gaat doen.”

U wilt uw relatie niet te veel op de proef stellen?

„Ik constateer alleen dat een relatie veel tijd kost. En als je minister of staatssecretaris bent moet je honderd procent voor je werk gaan. Soms is dat lastig. Niet alleen in de liefde, maar ook in vriendschappen. Sommige vrienden heb ik de afgelopen jaren nauwelijks gezien.”

Bent u gelukkig?

Lange stilte. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig: „In algemene zin ben ik een gelukkig mens.”

U lijkt niet echt overtuigd.

„Dat is ook weer privé. Maar het is niet makkelijk, een relatie. Terwijl ook een minister dat wel graag zou willen.”