Hoelang kunnen de VS ons nog bekoren? Clinton of Bush maakte veel uit

De waardering van Nederlanders voor Amerika staat of valt met de president – maar misschien boeit het land hen dadelijk helemaal niet meer, betoogt James Kennedy.

Nederland, Jukeboxdagen in Rosmalen Foto Merlin Daleman

Ik was nog niet zo oud, een jaar of acht, toen ik in het schooljaar 1971-1972 een jaar in Nederland woonde. Een deel van de Nederlanders die ik kende, was boos over het optreden van de Amerikanen in Vietnam en eiste dat de oorlog daar onmiddellijk zou ophouden. Ik herinner me nog de sticker met de dubbele boodschap ‘héél Vietnam’ op de kamer van een oudere neef van me. Hij had een uitgesproken mening over de Verenigde Staten en de oorlog en deelde deze in niet mis te verstane termen met me.

Het zou niet de laatste keer zijn dat ik te maken kreeg met Nederlandse kritiek op Amerikaanse wandaden. Het was de tijd waarin veel Nederlanders precies wisten hoe de wereld geleid diende te worden.

Toen ik in de zomer van 1980 als tiener in Nederland op bezoek was, werd ik ter verantwoording geroepen voor de gruwelijke staat van dienst van de Amerikanen in Latijns-Amerika. Zojuist had de sandinistische revolutie plaatsgevonden. Het was een bende in El Salvador. Veel progressieve Nederlanders richtten zich op de kwaadaardige Amerikaanse rol. Ik hoorde van bekenden dat ze nooit naar Amerika zouden gaan, vanwege de ellende die de VS hadden aangericht over de hele wereld. In het licht van dergelijke principes was ik bijna dankbaar toen een CPN-politica me in 1983 vertelde dat ze graag op vakantie ging in Amerika, omdat ze op vakantie haar politieke overtuiging en haar verzet tegen Amerika thuis kon laten.

Het Nederlandse verzet tegen de Amerikaanse politiek was in 1983 ook wel zo ongeveer op zijn dieptepunt. ‘Cowboy’ Ronald Reagan zat in het Witte Huis. Nederlanders protesteerden massaal tegen een Amerikaanse poging kruisraketten te plaatsen op hun grondgebied.

Dat was de wereld van de Nederlandse progressieven die ik leerde kennen. Later, toen ik de familie van mijn toekomstige Nederlandse vrouw leerde kennen, zou ik veel meer van een andere kant te weten komen: de Amerikanen die als bevrijders werden gezien, die boven kritiek stonden en de hoogste lof verdienden. Dat was ook een belangrijk onderdeel van de Nederlandse houding tegenover de Verenigde Staten na 1945, vooral nadat de problemen met Indonesië waren opgelost. Het was een vriendelijker wereld, die minder indruk op me maakte dan die andere.

Ik kon toen onmogelijk weten dat de kritiek op de Verenigde Staten binnen enkele jaren zou verdampen. In het voorjaar van 1989 nam ik deel aan een NAVO-conferentie. De deelnemers – waaronder ook de Nederlandse delegatie – waren bijna weemoedig over de aanwezigheid van de Amerikanen in Europa en hun rol in een vreedzame beëindiging van de Koude Oorlog.

Begin jaren negentig, toen ik als Fulbrightstudent in Amsterdam woonde, leek het wel of ik was terechtgekomen in een ander land. De anti-Amerikaanse sentimenten, in elk geval op het terrein van de buitenlandse politiek, waren verdwenen. Het hielp waarschijnlijk dat de Amerikanen in 1992 een Democratische president, Bill Clinton, hadden gekozen. Wie er in het Witte Huis zit, een Republikein of een Democraat, lijkt altijd van invloed te zijn op de Nederlandse mening over Amerika.

Toch zat er nog wel meer achter die verandering van begin jaren negentig. Het leek wel of de Nederlanders in de jaren negentig minder dan voorheen zelf een beeld hadden over de manier waarop de wereld moest worden geleid, en dus ook niet over de manier waarop de Amerikanen dat zouden moeten doen. Dat was nog voor Srebrenica en het onvermogen van Europa om een antwoord te vinden op het geweld op de Balkan – ontwikkelingen die op zijn minst bijdroegen tot de Nederlandse bereidheid om Amerikaanse leiding te aanvaarden.

Ook veranderden de Nederlandse opvattingen over Amerika na 1990 dankzij de financiële mogelijkheid om te reizen naar de Verenigde Staten, soms om te studeren, maar vooral om op vakantie te gaan. Amerika verloor misschien wel aan belang voor de Nederlanders, maar persoonlijk ervoeren ze er meer van. Ze hielden bijna unaniem van het Amerika dat ze bezochten. Iedereen vond Californië geweldig, maar New York was altijd het echte mekka. Natuurlijk vond ook een behoorlijk aantal Nederlandse bezoekers hun weg naar het Middenwesten, voor een bezoek aan de Nederlandse ‘kolonies’ waar ik zelf vandaan kom, maar het Middenwesten en het Zuiden – of eigenlijk alles ten westen van Washington en ten oosten van de Grand Canyon – waren toch vooral iets waar de Nederlanders overheen vlogen, nauwelijks de moeite waard om bij stil te staan, laat staan te bezoeken.

Deze keuze van Nederlandse toeristen heeft niet geheel onschuldige gevolgen gehad. De politiek scherpe kantjes uit de jaren zeventig mogen er dan af zijn, maar een diepe ambivalentie tegenover Amerika is gebleven.

Het Nederlandse toerisme naar de VS heeft een gespleten en simplistisch beeld van Amerika gevoed. Aan de ene kant stonden Harvard, Manhattan en Silicon Valley, meestal geassocieerd met de Amerikaanse creativiteit, vrijheidsenergie en het ogenschijnlijke Amerikaanse vermogen om nieuwelingen te omarmen. Aan de andere kant stonden de badlands, de rode staten van het Republikeinse Amerika, die ze naar mijn idee meestal associeerden met economische ongelijkheid en buitensporige rijkdom, godsdienstig obscurantisme en de harde hand van klassenjustitie. Dit kwade Amerika werd een tijdje bovenal belichaamd door de persoon van George W. Bush, wiens persoon en roekeloze avontuur in Irak symbool leken te staan voor een Amerika waarvan de Nederlanders niets moesten hebben. Het was weliswaar niet echt te vergelijken met de jaren zeventig, maar ik ervoer het presidentschap van Bush junior als een kleine ijstijd in de Nederlandse kijk op Amerika, ook al weet ik dat de Nederlanders meer dan andere Europeanen relatief vertrouwen hielden in de goedheid van het Amerikaanse wereldleiderschap.

Daarmee veroorloofden de Nederlanders zich een gemakzuchtig onderscheid tussen een Goed Amerika, dat meenden te kennen en gretig omarmden, en een Kwaad Amerika waarvan ze maar weinig wisten en nog minder wílden weten. In dat opzicht weerspiegelt het beeld van de Verenigde Staten tot op grote hoogte hoe de Nederlanders over hun eigen samenleving denken, waarbij Amerika dient als toetssteen van de eigen tekortkomingen, maar ook om de eigen superioriteit aan af te meten.

Dit verklaart misschien voor een deel dat de mate waarin de Nederlanders belang aan Amerika hechten niet zozeer een rationele afweging van de Amerikaanse macht in de wereld is als wel een subjectieve behoefte om het goede of het kwade waarvan zij Amerika als symbool zien, lief te hebben of te haten. De liefdesverklaring van de Nederlanders aan Barack Obama in 2008 was grenzeloos. Ik hoorde van veel Nederlanders dat ze bijna stemrecht bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen meenden te hebben, omdat het presidentschap een mondiaal ambt was. Vier jaar later heeft niemand tegen mij de wens geuit om te mogen stemmen als honorair Amerikaan. Dit komt vermoedelijk doordat Obama’s presidentschap zijn glans heeft verloren en niet zozeer omdat Amerika zo veel minder te betekenen heeft in de wereld dan vier jaar geleden.

Het is aannemelijk dat een nieuwe, inspirerende, Democratische presidentskandidaat het enthousiasme van de Nederlanders voor hun Amerikaanse bondgenoot weer zal aanwakkeren, of dat ze zich zodra er een afstotelijker presidentskandidaat dan Romney opstaat weer hartstochtelijk zullen herinneren waarom ze zo veel beter dan zijn Amerika – maar de vraag is hoelang de Verenigde Staten de Nederlanders nog kunnen inspireren om hun eigen overtuigingen te vormen, in een wereld waarin de mondiale machtsverschuivingen steeds zichtbaarder worden.