Hoe universiteiten gevers gul (en gek) maken

Filantropie Bij het binnenhalen van particulier geld kunnen Nederlandse universiteiten leren van de Amerikaanse. “Alumni krijgen tien keer per jaar post”

Hester van Santen

Ergens in de Verenigde Staten woont een multimiljonair. Jong, rijk geworden met een internetbedrijf en bereid om ‘ettelijke miljoenen’ weg te geven. Iemand, bovendien, die het belangrijk vindt dat er minder dieren worden gegeten. Die man, die voorlopig anoniem wil blijven, doneerde het afgelopen jaar 400.000 euro aan hoogleraar fysiologie Mark Post in Maastricht.

Met dat bedrag voltooit Post binnenkort zijn droomproject: een hamburger van gekweekt rundvleesweefsel. Post, een pionier op het gebied van ‘kweekvlees’, maakte eerder kleine stukjes weefsel in zijn lab, maar kreeg geen overheidsgeld om het werk uit te bouwen.

Nu komt de hamburger er toch – dankzij het geld uit de VS. “De komende tien jaar levert mijn werk geen verkoopbaar product op – voor een gewone investeerder veel te risicovol.” Wel deelt de anonymus in de opbrengst van eventuele patenten uit het onderzoek voortkomen.

Zijn donor, vertelt Post, is het stereotype van een moderne filantroop. Voor het beleggen van zijn overschotten – 60 miljoen dollar per jaar – heeft de internetmiljonair 30 man in dienst; 4 daarvan houden zich enkel met filantropie bezig.

Het beeld dat filantropen in de Verenigde Staten graag en veel geld aan de wetenschap doneren klopt. Soms profiteren Nederlanders daar direct van, zoals Mark Post.

Maar vooral beginnen Nederlandse universiteiten te leren van de lucratieve Amerikaanse technieken om fondsen te werven. Terwijl de overheid zich terugtrekt bij de financiering van wetenschappelijk onderzoek, zoeken de universiteiten nieuwe bronnen. Hun bestand van alumni, oftewel oud-studenten. Rijke mensen – vooral als ze ook nog eens alumnus zijn. Maar ook stichtingen en bedrijven. De Wageningen Universiteit kreeg zo malariaonderzoek gefinancierd, maar ook Leiden, Groningen en Utrecht zijn er ver mee.

De tijd is er rijp voor, zeggen deskundigen. Dit is immers de ‘Gouden Eeuw van de Filantropie’. De naoorlogse generatie bestaat uit welvarende wereldburgers die, als ze een erfenis voor hun twee of drie kinderen opzij hebben gelegd, genoeg overhouden om in maatschappelijke doelen te investeren en dat ook wensen – na hun dood, of liever nog daarvoor.

In de Verenigde Staten werkt dat. De cijfers spreken voor zich. Kortweg: in Nederland is een universiteit succesvol in fondsenwerving als zij een paar miljoen euro ophaalt. Dat is in de VS het bedrag dat een gemiddelde basisschool jaarlijks van zijn donateurs binnenkrijgt. Stanford University heeft het afgelopen collegejaar 1.035 miljoen dollar verworven.

Het is moeilijk voor te stellen hoe scholen en universiteiten het voor elkaar krijgen. Tot je praat met Ann Kaplan. Zij is in de VS verantwoordelijk voor de veelgelezen jaarlijkse Voluntary Support of Education-rapporten, waarin voor elk Amerikaanse universiteit of college tot achter de komma te vinden is hoe veel er binnenkomt uit filantropie, en van wie.

Kaplan werkt bij de Council for Aid to Education in New York, een onafhankelijke raad die onderwijsinstellingen adviseert. Ze heeft al sinds de jaren tachtig ervaring als fondsenwerver, en nu maakt zij het jaarlijkse rapport van weldoeners bij universiteiten. Waarom halen universiteiten in de VS zo veel meer geld binnen dan in Europa? “Tsja. Ten eerste is in Europa het hoger onderwijs een publieke taak, terwijl dit in de VS lang niet altijd door de overheid wordt betaald.”

Dan is er nog het belastingvoordeel op donaties, voegt ze toe – maar dat kent een land als Nederland ook. En ze noemt nog twee algemene voorwaarden voor charitas die uit internationaal onderzoek blijken: een tamelijk welvarende middenklasse, en democratie. Ook daar ontbreekt het in de meeste Europese landen niet aan. “Maar vooral verschilt het asking behavior”, besluit ze. Het ‘vraaggedrag’, dus. “Als ik iemand om 100 dollar vraag, is er een gerede kans dat ik dat geld ook krijg.”

En daar zit hem de kneep: fondsenwerving is in de VS tot in de puntjes georganiseerd. Een beetje universiteit heeft er tientallen mensen voor in dienst, soms wel honderden. “Er werken aparte mensen die zich bezig houden met de jaarlijkse giften, of met erfenissen.”

Kaplan noemt het bepalen van de strategie om donateurs te trekken ‘een wetenschap op zich’ en somt vloeiend de uitgangspunten op. “Vertrouw niet te veel op major donors – miljonairs dus. Steunen op grote giften is een kenmerk van een onderontwikkeld fondsenwervingsprogramma.” Anderzijds: als je percentage grote giften te laag is, moet je juist een major gift officer aannemen.

Ze kent iemand die dat werk doet bij Boston College, vertelt ze. Hij zat ooit vijftien jaar achter een rijke alumnus van zijn universiteit aan. De man pakte jaarlijks het vliegtuig om met de welgestelde heer te gaan lunchen. Gewoon, vragen hoe het met de zaken en de familie gaat. Nooit vroeg hij om geld. Na vijftien jaar kwam de grote donatie.

Betrokkenheid is een vast onderdeel van de strategie. Zo móeten leden van het universiteitsbestuur welgesteld zijn, om leadership donations te kunnen doen. Zo heeft elk Development Office een prospect pool: een bestand van mensen ‘bij wie iets te halen valt’, dat minutieus wordt bijgehouden. Zo worden kleine donateurs ‘gecultiveerd’, omdat zij ooit grote vissen kunnen worden.

Wordt al dat gevraag niet vervelend? “Zeker wel”, zegt Liesl Elder grinnikend. Ze is de directeur fondsenwerving van Oxford University. Eerder deed ze dat werk bij Santa Clara University in Californië. “Iederéén vind het irritant. Alumni krijgen soms tien keer per jaar post of telefoontjes van hun oude universiteit. Maar mensen zijn eraan gewend.” Oxford en Cambridge zijn in Europa dé grote voorlopers in fondsenwerving. Ze hebben wat veel universiteiten op het ‘vasteland’ niet hebben: een in eeuwen opgebouwd kapitaal, ervaring met fondsenwerving, en een persoonlijke band met alumni.

Elder ziet in principe geen reden waarom fondsenwerving in Nederland niet zou kunnen werken. “Je moet alleen niet het Amerikaanse systeem parachuteren. Het allerbelangrijkste is: pas het systeem aan aan de cultuur. Dat doe ik ook bij mijn donateurs: als ik een bijeenkomst opzet voor Chinese alumni, doe ik dat anders dan bij Fransen. Leg ik direct contact of via een tussenpersoon, dat soort dingen.”

Juist aan persoonlijke betrokkenheid ontbreekt het aan Europese universiteiten, vertelt Barbara Gouwenberg. Ze werkt aan de enige onderzoeksgroep in Nederland die gespecialiseerd is in filantropie, aan de Vrije Universiteit. “In de VS geeft de plaats waar je studeert veel meer een gevoel van trots. Als je eenmaal een goede baan hebt, geef je wat terug. In Europa is de band met alumni in het algemeen minder sterk. Universiteiten proberen hier eerder geld te krijgen van stichtingen of bedrijven.”

Hoe het gesteld is met dat gebrek aan betrokkenheid, ontdekten zij en haar collega Theo Schuyt vorig jaar. Zij schreven, samen met Britse collega’s, het rapport Giving in evidence in opdracht van de Europese Commissie (zie ook kader). De opzet was: stuur een enquête naar de verantwoordelijke voor fondsenwerving van zo’n 1.000 Europese universiteiten, verzamel de resultaten, klaar.

Zo ging het niet. “Bij de helft van de universiteiten kwamen we er niet eens achter wie die verantwoordelijke was”, vertelt Gouwenberg. “Zelfs niet bij onze eigen universiteit. Een rijk individu die geld wil overmaken, kan die op de hele VU-website niets vinden. Dat was nog wel de grootste mop van het project.”