Het kunsthart van de Cordia's

Al kopend ontwikkelden Marijke en Willem Cordia hun smaak en hun verzameling. De Kunsthalroof heeft een gat geslagen in de Triton Collectie, die ze tot dan zo ruimhartig uitleenden.

De museumdirecteur en de kunsthandelaar zijn het erover eens: de Cordia’s kochten hun kunst samen. „En dat is bepaald ongewoon.” Dat zegt Nanne Dekking, werkzaam bij de firma Wildenstein in New York, een van de meest gerenommeerde kunsthandels ter wereld. De Cordia’s kwamen regelmatig bij hem langs. „Bij verzamelaarsechtparen zie je vaker dat de vrouw mee discussieert. Maar als puntje bij paaltje komt, besluit de man. Zo niet bij Willem en Marijke.” Benno Tempel heeft dezelfde ervaring. De directeur van het Haags Gemeentemuseum herinnert zich nog goed dat Marijke op een laatste moment besloot toch hun Matisse op het omslag van een catalogus te zetten. Willem volgde.

Willem Cordia overleed op 31 maart 2011. Anderhalf jaar later presenteerde de Rotterdamse Kunsthal de door de Cordia’s verzamelde werken voor het eerst als één collectie, in een tentoonstelling. Sjraar van Heugten, oud conservator van het Van Gogh Museum, schreef de vuistdikke catalogus. Met daarin zeven werken die de familie inmiddels niet meer bezit. In de nacht van 15 op 16 oktober zijn ze gestolen uit de Kunsthal.

Marijke en de inmiddels volwassen kinderen, nooit happig geweest op publiciteit, geven sinds de diefstal geen interviews. Zoon Kees Jan, die in 2004 de bedrijven van zijn vader overnam, legt het uit per e-mail. De dagen sinds de inbraak waren „een heksenketel”. De familie neemt „een pas op de plaats” om „na te denken over de vraag: hoe nu verder?”

Maar hoe ging het tót de diefstal, nu bijna drie weken geleden? Wat waren de Cordia’s voor verzamelaars? Hoe hebben ze hun Triton Collectie uitgebouwd tot zo’n 250 werken van meer dan 170 kunstenaars? Hoe bepaalden ze hun keuzes?

Mensen uit de kunsthandel, de museumwereld, het veilingwezen en hun directe omgeving schetsen het portret van een verzamelechtpaar dat de eigen smaak onstuimig ontwikkelde. Willem, bijnaam De Veroveraar, was havenbaron, ooit begonnen als stuurman op de Holland-Amerika Lijn. Al vroeg kocht hij af en toe een havengezicht of „een scheepje”. Zij, meisjesnaam Van der Laan, is dochter van een reder. Dankzij het kapitaal van haar vader kon Willem zijn zakenimperium opbouwen.

In de jaren tachtig specialiseerden ze zich: ze kochten impressionisten, symbolisten, werk uit de Nabis-groep van eind 19de eeuw. Na zijn hartaanval, in 1996, besloot Willem het rustiger aan te doen. Het was een belangrijk moment in zijn ontwikkeling als collectioneur. Het idee ontstond: van alle grote meesters van de moderne kunst, willen we ten minste één schilderij verwerven. De Cordia’s stapten de 20ste eeuw in en hebben een bijna encyclopedisch overzicht van die eeuw verzameld.

Geld was niet het probleem. Het maandblad Quote schat het vermogen van de Cordia’s op 330 miljoen euro. Tegen datzelfde blad zei Willem, kort na de bypasses: „Geld heb ik nooit zo belangrijk gevonden, want in de families van mij en mijn vrouw was dat er altijd al.” Behalve in kunst stopten de Cordia’s miljoenen in de paardensport. Om meer tijd aan de paarden te kunnen geven, zijn ze naast de eigen stoeterij gaan wonen, in Wuustweezel België.

Een vriendin van de Cordia’s uit het Belgische Brasschaat, die om veiligheidsredenen niet met haar naam in de krant wil, liep samen met de Cordia’s kunstbeurzen en veilingen af. Deze „verzamelvriendin” onderstreept dat het echtpaar altijd „diep in de materie” dook. „Je kunt natuurlijk ook in één keer een collectie aanschaffen. Maar wat heb je daar aan? Dat verrijkt je leven niet.”

Hoorden de Cordia’s over een kunstenaar die ze niet kenden, dan voelde vooral Willem zich betrapt. In korte tijd verslond hij een stapeltje boeken en was vervolgens bereid een aankoop te doen die zijn omgeving eerder voor onmogelijk had gehouden. Zoals de ‘Female Fig Leaf’ van Marcel Duchamp en de ‘Tits’ van Louise Bourgeois.

Het uitgangspunt, van iedere moderne meester ten minste één werk, was ook een beperking, zeggen kunstkenners. Joop van Caldenborgh, nog zo’n grote collectioneur, kocht eens meer dan 200 werken van Philip Akkerman, die altijd zichzelf portretteerde – slechts interessant in serie. Dat zouden de Cordia’s nooit doen. Anders dan Van Caldenborgh gingen de Cordia’s ook nooit op atelierbezoek. Ze ontmoetten geen kunstenaars, maar kunsthandelaren. En museumdirecteuren.

Maar dat wil niet zeggen, meent Nanne Dekking in New York, dat de Cordia’s altijd de gebaande paden bewandelden. Al zochten ze vooral naar gevestigde namen, ze konden ook „tegen de keer” kopen. Dekking: „Zoals die twee schilderijen van Maurice Denis. Kunsthistorisch waanzinnig interessant, maar esthetisch lastig. Je kunt niet zeggen dat ze daarmee de gangbare smaak volgden.”

Dekking raakte bevriend met de Cordia’s en sprak met ze over meer dan kunst alleen. Hij begrijpt waarom ze liever bij de kunsthandel kochten dan op de veiling, waar je voor een werk dat in de handel twintig miljoen kost, soms wel vijf miljoen minder betaalt. „Bij de kunsthandel konden de Cordia’s rustig nadenken, vergelijken, een aankoop nog even in beraad houden, terugkomen. Dat kan niet op een veiling.”

In de kringen van de Cordia’s geldt kopen op een veiling bovendien als een tikje ordinair. Maar de laatste tien jaar gingen ze toch, naar Christie’s en Sotheby’s in New York en Londen bijvoorbeeld. Ze kochten er ook. Om de lol van de veiling te ervaren, zeggen vrienden, moesten ze zekerder worden over hun eigen kennis. Hun dochter liep zelfs stage bij Christie’s.

Aan één uitgangspunt werd consequent vastgehouden, in alle jaren dat de Cordia’s verzamelden: kunst is voor aan de muur, niet voor in de kelder. Het moest hangen, aanvankelijk thuis en op kantoor, later ook in zoveel mogelijk musea ter wereld. Dit uitgangspunt beperkte jarenlang hun keuze tot voornamelijk schilderijen en tekeningen. Ze kochten geen lades met affiches, nooit een maquette, digitale kunst of een ingewikkelde installatie. Zelfs beelden kochten ze niet veel, al bevat de collectie een bronzen Zadkine, Duchamp en twee Giacometti’s – alle gekocht na 2004.

Het was belangrijk dat mensen hun kunst zágen. De Cordia’s zijn bereid werken eindeloos in bruikleen te geven. Museummensen zijn ze er dankbaar voor: soms hangen er wel vijftig schilderijen tegelijk in uiteenlopende musea. Verzoeken wachten de Cordia’s niet altijd af. Ze pluizen tentoonstellingagenda’s uit om te kijken of ze nog ergens kunnen bijdragen. Misschien omdat schilderijen die bekend worden bij het publiek in prijs stijgen? Handelaren en vrienden ontkennen dit stellig, evenals Peter van Beveren, die de familie enkele jaren bijstond als particulier conservator. „Verkopen deden ze bijna nooit.” Ook kunsthandelaren wijzen daarop: de Cordia’s kochten. „Ze verkochten eigenlijk alleen als ze van een bekende kunstenaar een mooier of beter werk konden krijgen.”

Zoon Kees Jan gebruikt het woord „belangeloos”, in zijn e-mail. Om kunst „te delen met de kunstliefhebbers in onze maatschappij”. Zeker Willem glom van trots als mensen in een museum naar hun werk keek. Tempel: „Dan zag je bij hem bijna een soort kinderlijk plezier.”

Dat de roof plaatsvond in Rotterdam doet de familie extra pijn, laat zoon Kees Jan weten. „Het is de stad waar ons hart ligt.” En tussen de regels door klinkt twijfel, of het nog wel kan om zo ruimhartig uit te lenen. „Hopelijk doet de maatschappij ook zijn plicht ervoor te zorgen dat wij, en vooral ook de andere kunstverzamelaars, dit gewaarborgd kunnen blijven doen en vooral het plezier daarvan niet gaan verliezen. We zullen zien.”

Vooralsnog maakt de familie zich vooral zorgen over de conditie van de gestolen werken, zegt de vriendin uit Brasschaat. „Zo’n pastel van Monet, die moet je heel goed behandelen. Houd je die op de kop, dan ligt het krijt zo op de vloer.”

De Triton Collectie is tot 20 januari te zien in de Kunsthal in Rotterdam