Grootmacht lui op de stroom drijft

De Verenigde Staten stellen zich de laatste jaren op het wereldtoneel lui op. Is dat erg? Niet echt, stelt Paul Kennedy – zolang de rest van de wereld zwak blijft, tenminste.

Nederland, Almere Gateway Diner in Almere. © Photo Merlin Daleman

Wat als blijkt, zo mag de wereldgemeenschap zich toch wel afvragen, dat de belangrijkste wereldmacht geen echt coherent buitenlands beleid heeft? Wat als, ondanks alle tegenwoordige Amerikaanse retoriek over een ‘Grote Strategie’, het land in kwestie helemaal geen strategie heeft? Of wat is – dit is een veel stoutmoediger gedachte – zonder duidelijke mondiale agenda en zonder werkelijk vitale belangen waar dan ook, voor Amerika een redelijke koers, vooral in dit ingewikkelde en onvoorspelbare mondiale klimaat? Is er nooit eerder een grote wereldmacht geweest die werd geconfronteerd met hetzelfde dilemma als Amerika vandaag?

De derde markies van Salisbury, een van de beste ministers van Buitenlandse Zaken van de negentiende eeuw, kreeg in het Britse Hogerhuis ooit de vraag voorgelegd of hij de fundamentele strategie van de regering kon definiëren bij het omgaan met de ingewikkelde omstandigheden in de wereld. Salisbury, die antwoordde met de ironie die zijn handelsmerk was, zei dat zijn beleid er in essentie een was van „het zich lui laten meevoeren op de stroom, hier en daar onnodige botsingen voorkomend”. Wegens deze uitspraak werd hij door zijn critici van luiheid beticht. Hij zou geen enkele greep op de zaak hebben en gespeend zijn van wat we vandaag de dag the vision thing noemen. Veel hedendaagse politici weten wel wat dit betekent.

Ik heb altijd wel sympathie gekoesterd voor Salisbury. De politieke stemming in zijn land was somber. Er was onvrede over de toenemende concurrentie in de buitenlandse handel. De traditionele loyaliteiten jegens partijen waren aan het verkruimelen. Weinig inspanningen van de regering konden rekenen op enig applaus. Verder was het wereldtoneel onvoorspelbaar, complex en wispelturig. In het Verre Oosten, de Perzische Golf, Europa en Afrika hielden de machten elkaar nauwlettend in de gaten, onzeker over wat de toekomst zou brengen. Was het dan niet verstandig een behoedzaam en reactief beleid te voeren, totdat de internationale situatie iets zou opklaren?

Ik heb veel nagedacht over deze anekdote tijdens mijn overdenkingen van het buitenlands beleid van de regering-Obama van de afgelopen paar jaar, en vooral van de kritiek die daarop is geuit.

Werd de regering niet veel te vaak verrast – door de Arabische Lente, de Arabische Opstand, het bloedbad in Syrië, de verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan en Irak en de aanval op de Amerikaanse ambassade in Benghazi? Wat is het beleid jegens Israël en Iran? Wat gaat de regering doen aan de Chinese acties in het Verre Oosten? Zal zij de euro laten instorten, met alle mogelijke ernstige gevolgen voor de toch al zwakke mondiale groeicijfers?

Lezers kunnen hun eigen suggesties aan deze lijst toevoegen, maar het idee wordt er alleen maar door versterkt dat het buitenlands beleid van de grootste wereldmacht er één is van het zich langzaam laten meevoeren met de stroom, zonder enig gevoel van richting.

Hoe zit het dan met het tegenargument? Hierin wordt op alleszins redelijke wijze betoogd dat dit het enige relevante beleid is dat een Amerikaanse president op dit moment kan voeren. Er lijken mij in dit verband drie afzonderlijke zaken strategisch met elkaar verweven te zijn, hoewel helaas niemand zich dit lijkt te realiseren.

1De verbazingwekkend gunstige geopolitieke positie die de Verenigde Staten innemen. De enige buurstaten zijn het bevriende Canada in het noorden en het in moeilijkheden verkerende, zwakke Mexico in het zuiden. Vergelijk dat eens met het aantal landen waaraan China grenst! Amerika ligt op bijna tienduizend kilometer afstand van de gevaarlijkste zones in Oost-Azië en op zo’n 6.500 kilometer van het steeds gekker wordende Midden-Oosten.

De strijdkrachten van de VS zijn groot, ook al is het lastig te bedenken wat hun strategische doelstelling is. De opbrengst van de landbouw is enorm, evenals de drinkwatervoorraden, ondanks de recente droogte. Het land is op vele gebieden sterk, uiteenlopend van zijn onderzoeksinstituten tot zijn minerale grondstoffen. En de demografische toekomst van Amerika is, in relatieve zin, gunstig. Waarom zouden de VS dan overal hun neus in steken? Waarom zouden ze zich niet een tijdje op de vlakte houden, zoals Roosevelt deed tussen 1936 en 1941?

2Waarom zouden we niet toegeven dat de grootste wereldmacht geplaagd wordt door constitutionele zwaktes en niet goed is toegerust om buitenlandse problemen aan te pakken? We zijn getuige van een Amerikaanse verlamming op het gebied van het nemen van moeilijke beslissingen, die voortvloeit uit een regeringsvorm die stamt uit het eind van de achttiende eeuw en niet goed meer aansluit op deze eeuw. Wat in 1780 een goede onderlinge afspraak tussen dertien wantrouwige staten kan zijn geweest, stelt in de hedendaagse wereld van veranderende internationale verhoudingen misschien niet zo veel meer voor. Het is geen wonder dat de meeste democratieën in de wereld een parlementaire in plaats van een presidentiële regeringsvorm hebben gekozen.

Omdat de Amerikaanse president uit één partij afkomstig is en het Congres dikwijls in handen van de concurrerende partij is, kun je moeilijk verwachten dat er ferme besluiten worden genomen over lastige onderwerpen als het beleid jegens de Palestijnen of manieren om te bezuinigen op defensie. De president lijkt tegenwoordig vaker op een soort Gulliver die door de lilliputters is vastgebonden dan op de oppercommandant die hij eigenlijk zou moeten zijn.

3Het land heeft steeds problemen prioriteiten te stellen in het buitenlands beleid. Bij afwezigheid van een grote aanval – zoals die op Pearl Harbor – die een volledige mobilisatie op gang zou brengen, wordt de regering op alle mogelijke manieren en in alle mogelijke richtingen belaagd door lobbyisten, belangengroepen, etnisch-religieuze minderheden en andere groepen.

Toen Halford Mackinder in zijn klassieker Democratic Ideals and Reality, uit 1919, schreef dat democratische staten weigeren strategisch te denken tenzij (en totdat) ze uit defensieve overwegingen ertoe gedwongen worden, had hij ongetwijfeld de binnenlandse strijd voor ogen die Woodrow Wilson moest voeren toen de wapenstilstand van 1918 was ondertekend. De regering van nu, die tegenover een vijandig Congres staat, voelt zich waarschijnlijk in een soortgelijke positie gedrongen.

Wie de presidentsverkiezingen van volgende week ook wint, het Amerikaans beleid jegens de buitenwereld zal op het niveau van een ‘Grote Strategie’ halfhartig en weinig doortastend zijn, en dus nogal lui overkomen. De troost is dat dit, gezien de werkelijke kracht van het land en de inherente zwaktes van China, Rusland, Iran, de islamitische mullahs en wie dan ook, misschien ook helemaal niet zo erg is.

Tot groot ongenoegen van alle activistische lobby’s en het complete leger aan leunstoelstrategen zou Amerika zich nog weleens een tijdje langer rustig kunnen laten meevoeren op de stroom, totdat het stuit op iets werkelijk transformerends – maar wat zou dat dan kunnen zijn? Geen enkel hedendaags scenario biedt in mijn optiek tot nu toe een overtuigend antwoord op deze vraag.

Paul Kennedy is hoogleraar geschiedenis en directeur van het Centrum voor Internationale Veiligheidsstudies aan de Universiteit van Yale, en auteur van negentien boeken, waaronder The Rise and Fall of the Great Powers.

© Tribune Media Services.