Column

Eerst menselijk, dan lief

© Disney 2012

Zou de wereld ooit van Donald Duck en Mickey Mouse afkomen? Zouden er landen zijn waar ze de Amerikaanse eend en muis niet eens kennen, nooit gekend hébben en ook niet wíllen leren kennen? Noord-Korea? Bhutan? Daar denkt de chef AW wel eens aan als hij ’s nachts de slaap niet kan vatten of overdag niets beters te doen heeft. Wat zou er voor nodig zijn om de eend en de muis voorgoed uit de gratie te krijgen?

De Thonet-stoel, de Oostenrijkse stoel van in stoom gebogen beukenhout die ook in de verste uithoeken van de wereld terecht kwam, in China, in Vuurland, die is uiteindelijk wel verdwenen. Honderd jaar populair geweest en opeens was het uit, toen belandde-ie op straat en werd krakend vermalen in de vuilniswagen.

Kan dat de Duck en de Mouse ook overkomen, of is het met de Disneytypes als met suiker en zout: als je er eenmaal aan gehecht bent kun je nooit meer zonder. Deze week is er voor de gelegenheid eens wat langer over nagedacht, met het internet als houvast. Een helder antwoord kwam er niet maar er werden wel Grote Lijnen zichtbaar.

Eerst dit: het stripverhaal is geen Amerikaanse uitvinding. We hadden hier in Europa al vroeg de avonturen van de Zwitserse Monsieur Cryptogame (Prikkebeen) en de Duitse Max und Moritz, maar die werden niet eindeloos volgehouden en waren ook eigenlijk niet leuk. Max en Moritz en hun vriendjes waren eigenlijk erg vervelend. Zie hoe ze de kat mishandelen.

Dan dit: de gewoonte om dieren als mensen voor te stellen is nog veel ouder dan het stripverhaal of de tekenfilm. Je trekt een kat een jasje aan en laat hem rechtop lopen et voilà. Denk aan Reinaert de Vos. Op internet zijn prachtige reproducties te vinden van afbeeldingen met ‘anthropomorphic animals’ uit de negentiende eeuw. Honden, ratten, katten, konijnen. Steeds komt het antropomorfe van het rechtop gaan en de kleding. Aan uiterlijk en lichaamsbouw van de dieren zelf wordt helemaal niets veranderd. En je denkt: het ziet er niet prettig uit.

Als de waarneming niet bedriegt zijn het de Amerikanen die met twee belangrijke innovaties komen. Ze brengen stripverhalen die voortaan eindeloos doorlopen (zoals de Katzenjammer Kids) en ze brengen antropomorfe dieren die zijn gestileerd: ontdierlijkt. De eerste is Felix the Cat (ca. 1920), de tweede Mickey Mouse (1928). Beide zijn bedacht voor optredens in zwart-witfilms, wat in hoge mate hun uiterlijk heeft bepaald. De witte handschoenen van Mickey hebben ermee te maken.

Felix en Mickey zijn aanvankelijk nog lang niet zo ontdierlijkt als uiteindelijk haalbaar bleek. Felix the Cat is in de eerste film een gestileerde kromme kat, met een snor en gemene tandjes. Mickey Mouse heeft een ratachtige snoet, dunne ledematen en kleine ogen en raakte die pas in de loop van de jaren kwijt. Daarbij wordt de muis steeds jonger, het is mooi beschreven door Stephen Jay Gould in Natural History toen de muis in 1978 vijftig jaar oud werd. Gould heeft er ook op gewezen dat de vroegste Mickey Mouse nog helemaal niet zo’n aardig muisje was, zoals ook Felix the Cat veel van het soort vrolijkheid liet zien dat aan Max en Moritz en de Katzenjammer Kids doet denken.

Bekijk het op internet en bekijk en passant ook eens hoe onze eigen Tom Poes er begin jaren veertig bij liep. Beetje krom soms, harige vacht, een snor en onaangenaam sluwe, achterdochtige oogjes. Dat is later allemaal rechtgetrokken. Zowel Felix als Tom verloor zijn snor, Felix verloor ook zijn tanden en de hele menagerie kreeg almaar grotere ogen, inclusief oogwit. En ze verloren hun streken, de Katzenjammerongein werd geschrapt. Het pesten en kwellen verdwijnt totaal.

Het is hieraan waaraan we zien dat er na de ontdierlijking al heel snel een tweede ontwikkeling in gang wordt gezet: de verlieving. Na het amuseren ontstond er de behoefte aan behagen. Gould heeft dit onderscheid niet scherp gemaakt, maar het ìs er wel. De eerste lijn maakte van het dier meer mens, de tweede lijn maakt er een uitgesproken jong mens van. Kleine kinderen vinden we meestal schattig (cute) en Konrad Lorenz heeft ontdekt waarom we ze schattig vinden: ze zijn voorzien van allerlei kenmerken die bij ons, geheel onbewust maar vaak onontkoombaar, knuffel- en verzorgingsgedrag opwekt. Dat is evolutionair ontzettend nuttig.

De bedoelde kenmerken vatte Lorenz samen in zijn ‘Kindchen-schema’: een relatief groot hoofd (dus een grote kop-rompverhouding), een rond hoofd, een mollig lichaam, korte ledematen, onzekere gang en vreemd genoeg ook grote ogen, hoewel dat niet een uitgesproken kenmerk is van zuigelingen, peuters en kleuters. Toch is dat waar alle cartoonisten uiteindelijk op uitkomen: die enorme ogen en de kopvergroting. Het hoofd van Donald Duck is een verdubbelde eendenkop. Tom Poes met zijn reuzenogen kreeg uiteindelijk een hoofd dat even groot is als zijn lichaam. In de natuur lijden alleen embryo’s aan dit euvel.

Wie de plaatjes hierboven langsloopt stelt vast dat een deel van dit soort aanpassingen niet veel meer toevoegt aan de ‘cuteness’ die al was bereikt. Alsof de colonne, eenmaal in beweging, niet meer te stuiten was. Dat zou je dan heel voorzichtig de derde ontwikkelingslijn kunnen noemen: de cartoonisten hebben ook ontwikkelingen op gang gebracht die min of meer autonoom zijn, maar die ze gretig met elkaar delen. Bijna altijd wordt één vinger in de hand weggelaten. Bijna altijd worden vrouwtjesfiguren van wimpers voorzien.

Waar brengt ons deze AW-analyse? Niet heel ver, natuurlijk. Hoogstens biedt hij uitzicht op een heel verre toekomst waarin alle cartoonfiguurtjes zó op elkaar gaan lijken dat ze niet noemenswaardig meer van elkaar verschillen. Dan en pas dan raken we de Duck en de Mouse kwijt.