Door Mekka, achter de Nederlandse driekleur

Alia Azzouzi, een Rotterdamse van 32, is net terug van de hadj, de bedevaart naar Mekka. Op verzoek van deze krant schreef zij over haar ervaringen.

Bijna een maand heb ik met mijn ouders en man doorgebracht in Saoedi-Arabië. We waren op bedevaart, hadj, naar de heilige steden Mekka en Medina. Een reis waar ik jaren naar heb uitgekeken.

De wens om op hadj te gaan, een van de vijf verplichtingen van mijn religie, heb ik altijd bij me gedragen. Twaalf jaar geleden ben ik op umrah geweest. Dat is een kleine bedevaart. Vergeleken bij de hadj een vakantie. Dat weet ik nu.

Dit jaar heeft Allah mij uitgenodigd om voor mijn hadj naar Mekka te gaan. Een jaar eerder wilde ik ook, maar toen werd ik niet uitgenodigd. Dat voel je. Wij geloven dat je alleen gaat als Allah je uitnodigt. We zijn daar allemaal gasten van God.

Ik woon in Rotterdam, werk bij cultureel centrum Kosmopolis en ben 32 jaar. Best jong om op hadj te gaan. Meestal zijn pelgrims ouder. Maar dat is aan het veranderen, steeds meer moslims doen de hadj eerder in hun leven. Dat is maar goed ook, want ook als je jong bent en gezond, is de bedevaart zwaar. Ik begrijp niet hoe ouderen het volbrengen. Het vele lopen, de immense drukte, de hitte. Ze zeggen dat ze kracht krijgen van God. Dat moet dan wel.

De ervaring was heftig, mooi, prachtig, inspirerend, spiritueel, verbroederend, indrukwekkend. Met miljoenen mensen uit de hele wereld kom je op één plek. Iedereen heeft er jarenlang voor gespaard. Iedereen komt voor hetzelfde.

Ik keek naar de mensen die de Grote Moskee in Mekka binnenkwamen en voor het eerst de Ka’aba zagen (een kubusvormig gebouw, en het belangrijkste heiligdom van de islam) zagen. Ik zag hun extase. Terwijl ik dit opschrijf, krijg ik kippenvel over mijn hele lijf.

De pelgrims kwamen uit alle landen. Mensen droegen een keycord of tas van hun reisorganisatie. Ik zag mensen uit Tadzjikistan, Kazachstan, Pakistan, Nigeria, de Malediven, Zweden, Bangladesh, Jemen, Indonesië, VS, Chili, België, Frankrijk.

Onze reis begon in Medina, de stad waar onze Profeet Mohammed ligt begraven in de Masjid an Nabawi-moskee. Een prachtige, rustige stad waarvan Allah heeft gezegd: „Dit is de plek waarvan ik hou.” Raar om bij het graf van de profeet te staan en te weten dat zijn resten op die plek liggen. Ik had echt het gevoel dat ik hier nog dichter bij God kwam.

Medina was netjes, strak en hypermodern. Om de paar honderd meter een toilettencomplex, ondergrondse garages – en parasols zodat je in de schaduw kon zitten. Meteen tegenover de ingang van de moskee zat een Starbucks.

De eerste avond kwam ik in die miljoenenmassa al een bekend gezicht tegen. De man van een vriendin. De volgende dag kwam ik in de KFC een oud-buurmeisje tegen uit Rotterdam. De hele reis lang stuitten mijn man en ik op bekenden.

Na vijf dagen gingen we naar Mekka. De reis die normaal vier uur duurt, kostte nu twaalf uur vanwege de drukte. Mekka is het centrum van de islam in de wereld. We gingen meteen naar de moskee om te bidden en alvast met de eerste rituelen te beginnen: we moesten zeven rondjes rond de Ka’aba lopen. En zeven keer heen en weer tussen de heuvels Safa en Marwa. Dat laatste symboliseert de route in de woestijn van Abrahams vrouw Hagar, die op die plek op zoek ging naar water voor haar zoon. Na zeven keer ontsprong daar de bron Zamzam, die tot op de dag vandaag vloeit.

Tijd voor het hotel. Anderhalf uur kostte het om vanuit de kelder van de moskee buiten te komen. Iedere millimeter was bezet. Je moest je er als een mier tussendoor wringen. Benauwend. Zeker voor iemand als ik die het niet gewend is dat mensen in mijn ‘territorium’ komen. Vreemden, leunend op je schouders, je aansporend door te lopen, al er is er geen centimeter ruimte. „Sabr, sabr”, zeiden we dan. Geduld, geduld.

In het moskeecomplex passen vier miljoen mensen. Het was constant vol. Ook rond middernacht. Mijn moeder dacht op dat tijdstip de tawaaf (rondjes lopen rondom de Ka’aba) te kunnen doen. Niet dus. Mensen baden in de hotels rond de moskee, in het winkelcentrum, op straat.

De moskee werd aan een stuk door schoongemaakt. De schoonmaakploeg kwam met een afzetdraad om de menigte te stoppen. Een ander team kwam met water, zeep, bezems en trekkers. Het volgende team maakte de boel droog. In één minuut klaar.

Na twee weken was het tijd voor de echte hadj. Die bestaat uit een aantal rituelen die op vaste momenten moeten plaatsvinden. Je verblijft vijf dagen op verschillende plekken buiten Mekka in tentenkampen, in een tent met veertig man en gedeelde toiletten. Even wat anders dan het luxe hotel met uitgebreid ontbijt en diner, en eigen badkamer.

Dit was het moment waar ik jarenlang op had gewacht. Wat miljoenen mensen al eeuwen lang doen. Mannen droegen twee losse, witte doeken die ze vastzetten met een riem. Vrouwen droegen normale kleding, maar verder was elke vorm van luxe verboden. Iedereen gelijk, iedereen terug naar de simpelste vorm van leven.

In de tent zaten bejaarden, Nederlandse bekeerlingen, de slager van om de hoek, een directeur van een multinational, een ingenieur, een kapper. Alles en iedereen was gelijk, zag er hetzelfde uit en was daar met hetzelfde doel. De meest nederige en zuivere vorm van zijn.

De tweede dag was het hoogtepunt van de hadj. De dag waarop alle pelgrims zich verzamelen op de berg Arafa, de berg van barmhartigheid. De berg waar Adam en Eva elkaar ontmoet hebben nadat ze uit de hemel naar de aarde waren gekomen. De berg waarop de Profeet zijn laatste preek gaf voor zijn dood.

Die dag wordt de dag van Arafa genoemd. Of: de beste dag van het jaar. Van zonsopgang tot zonsondergang waren we bezig met gedenken, prijzen en smeekbeden. Iedereen liet ik in mijn gebeden langskomen: familie, vrienden, collega’s, de hele Nederlandse samenleving, de wereld. We vroegen het goede voor iedereen, hopend en gelovend dat Allah onze gebeden verhoort.

De volgende dag was het Offerfeest. We begonnen de dag met het symbolisch stenigen van de duivel. Zo herdenken we de profeet Abraham die op de dag van het Offerfeest zijn zoon Ismaël wilde offeren voor God. De duivel die hem wilde overhalen het bevel van God te negeren, verjoeg hij door steentjes naar hem te gooien. We geloven dat God – met elk steentje dat we gooien – onze zonden vergeeft. Vroeger zijn er wel eens ongelukken bij gebeurd. Tegenwoordig is dat allemaal strak geregeld.

Drie dagen achtereen liepen we vanaf onze tent in Mina naar de stenigingsplek, een afstand van ongeveer drie kilometer waar we steeds ongeveer twee uur over doen door de drukte. De organisatie waar ik mee op hadj was, had alles tot in de puntjes geregeld. Voorop en achterop liep iemand met een Nederlandse vlag. Grappig om die Nederlandse vlaggen op die plekken te zien, tussen vlaggen uit álle landen.

Na vijf dagen gingen we terug naar Mekka. Een afstand van zeven kilometer. Mijn man en ik besloten te lopen, de bus zou er in de drukte zeker acht uur over doen. Die dag zal ik nooit vergeten. Ik kon soms geen ademhalen in de massa. Ik voelde mijn ribben in elkaar drukken. De hitte was intens. Veertig graden, de mensen kacheltjes. Ik probeerde rustig te blijven en niet te vallen. Toen we na vier uur lopen veilig in het hotel aankwamen, zagen mijn opgezwollen voeten eruit alsof ik een maand in een grot had geleefd.

Twee dagen later was het tijd terug te gaan naar Nederland. Het afscheid was zwaar. We deden nog een afscheidstawaaf (ronde om de Ka’aba).

Prachtige weken, intense momenten.