De gemiddelde AOW'er komt er goed van af

VVD en PvdA verrasten vriend en vijand door de AOW-leeftijd nog sneller te laten stijgen dan al gebeurde volgens de afspraken in het Lenteakkoord. In 2018 komt de AOW-leeftijd al op 66 jaar, drie jaar later op 67. Aanleiding voor de PvdA om hiermee akkoord te gaan, waren de regelingen die mensen met een laag inkomen of mensen die nu al in de vut zitten beschermen. Voorbeeld daarvan is de doorwerkbonus voor mensen tussen 61 en 65 jaar. Wie dan in 2021 65,5 jaar is, kan zonder negatieve financiële gevolgen met pensioen, ook al is de AOW-leeftijd dan 67 jaar.

Ook op het pensioenvlak verandert er het nodige. Omdat de AOW- leeftijd steeds hoger wordt, heeft iedereen meer tijd om voor zijn pensioen te sparen. Dat is voor de fiscus aanleiding om het bedrag dat mag worden afgetrokken te beperken. De jaarlijkse opbouw van het pensioen was al gedaald van 2,25 procent tot 2,15 procent van het gemiddelde loon. Die daalt in het regeerakkoord nog verder tot 1,75 procent: wie dat percentage veertig jaar lang opbouwt, komt keurig uit op een pensioen van 70 procent van zijn gemiddelde loon. Voor de hoge inkomens wordt de aftrekbaarheid nog op een andere manier beperkt; voor het loon boven de 100.000 euro komt die te vervallen.

Voor zijn koopkracht hoeft de gemiddelde AOW’er niet bang te zijn, volgens het CPB. In de komende vier jaar is geen sprake van een noemenswaardige achteruitgang, maar dat kan op individuele basis natuurlijk heel anders zijn. Wie aangesloten is bij een pensioenfonds dat een stevige korting moet doorvoeren, heeft niets aan die CPB-prognose. Hetzelfde geldt voor de oudere die met het nieuwe kabinetsbeleid – de bezuiniging op de AWBZ – meer moet meebetalen aan zijn verblijf in een verzorgingstehuis.