Chinese dromen

Het Chinese partijcongres luidt een nieuw tijdperk in, al weet niemand wat volgt op het Gouden Decennium. De stilzwijgende afspraak was: welvaart voor het volk in ruil voor macht voor de partij. Maar onvervulde dromen creëren boze mensen.

Een man in Shanghai rust uit op een motorfiets voor een reclameposter ter promotie van de stad. Foto Reuters

„Door de Communistische Partij is mijn leven ingrijpend veranderd, we leven in de hemel op aarde. We zijn arm, maar er is een overvloed aan eten en werk. Mijn droom is dat mijn kinderen rijk worden zodat zij, als wij ziek en oud worden, de dokter kunnen betalen.” (Boer, 56, Suzhou)

„Ik heb een man, een kind en weer een baan bij een particuliere onderneming gekregen nadat ik was ontslagen door een staatsbedrijf. Ik verdien goed. Ik maak mij het meeste zorgen over de milieuvervuiling en de veiligheid van ons eten, dus over onze gezondheid. Dokters en ziekenhuizen zijn onbetaalbaar. Rijk worden is mijn droom.” (Boekhoudster, 32, Chongqing)

„Mijn akker is door de stad opgegeten. Ik mis de frisse lucht en ik mis mijn land. Ik heb een keer overwogen zelfmoord te plegen maar ik heb weer werk, net als mijn vrouw en dochter. Onze droom is een huis kopen, maar vanwege de stijgende prijzen ben ik niet optimistisch. Waar ik mij heel kwaad over maak is de corruptie van de leiders.” (Winkelier, 41, Huaxi)

Het is een groot misverstand dat Chinezen ondoorgrondelijk zijn en zich tegenover een buitenlander verbergen achter een brede lach. Wie in de aanloop naar het achttiende Nationale Partijcongres, dat donderdag in Peking bijeenkomt, de temperatuur van China meet, krijgt vrij gemakkelijk toegang tot de particuliere zorgen, problemen en dromen van de „oude honderd namen”, het gewone volk.

Chinezen zijn, in de beslotenheid van een appartement op 35 hoog, een kantoor, de woonkamer achter een winkel of het halfduister van een massagesalon of karaokebar, gepassioneerde praters. Vergeleken met tien jaar geleden, toen zich voor het laatst een omvangrijke machtswisseling voordeed, is China niet alleen veel rijker maar ondanks de censuur ook veel opener geworden.

Als in de loop van volgende week op het meerdaagse partijcongres een nieuwe generatie leiders, onder wie kandidaat-partijleider en president Xi Jinping, op het schild wordt getild, weet iedereen in China dat het aflopende ‘Gouden Decennium’ (2002- 2012) gevolgd zal worden door een periode van noodzakelijke veranderingen.

Conclusies trekken op basis van individuele gesprekken is hachelijk, maar als daar onderzoeksrapporten, een oneindige stroom boeken en vooral de discussies op het springlevende Weibo – het Chinese Twitter – aan toegevoegd worden, dan is er maar één conclusie mogelijk: de nieuwe movers and shakers van de ruim 90-jarige Communistische Partijmoeten de koers veranderen. Want in China gist het, het sist en stoomt als in een kokende hotpot vol Sichuan-pepers. In welk tempo en welke richting is nog onduidelijk.

„Ondanks alle successen van de afgelopen tien jaar neemt het onbehagen, de onvrede toe. Soms heb ik het gevoel dat we aan de vooravond van een nieuwe revolutie staan”, bevestigt professor Lu Hanlong van het Instituut voor Sociologie in Shanghai. Iedereen klaagt, behalve de puissant rijken, die hooguit mopperen over het gebrek aan bewaakte parkeerplaatsen voor hun Lamborghini’s voor de disco’s in Shanghai.

De middenklasse maakt zich grote zorgen over de huizenprijzen, de voedselveiligheid, het milieu en de overvolle ziekenhuizen. De boeren over de vaak gewelddadige landonteigeningen, de armen over de ongelijkheid en het gebrek aan sociale voorzieningen. En iedereen klaagt over corruptie, een wijdverbreid en cultureel verankerd fenomeen.

„Tot twintig jaar geleden waren we in de communistische Volksrepubliek China allemaal gelijk, we waren allemaal arm. China was een totaal egalitaire samenleving. Nu zijn we met z’n allen wel rijker geworden, maar tegelijkertijd ook ongelijker. Die ongelijkheid in China is een nieuw verschijnsel met vergaande consequenties voor de partij en de samenleving”, denkt Lu, die veel publiceert over de opkomende middenklasse in China.

Chinese partijcongressen, die een keer in de vijf jaar worden gehouden en leiderswisselingen die een keer in de tien jaar plaatsvinden, worden zorgvuldig voorbereid. Partijcongressen plegen voor China en de wereld verstrekkende beslissingen te nemen en hebben daarom ook een verhaal nodig en een thema, zoals het Nederlandse ‘bruggen slaan’. In China gaat het erom hoe het Gouden Decennium wordt voortgezet nu de groei afzwakt en de ‘Noord-Atlantische wereld’ voor een hoop problemen zorgt.

Deze formuleringen zijn bedacht door het Chinese propaganda-apparaat dat wordt bijgestaan door grote Londense en New Yorkse reclamefirma’s (Saatchi & Saatchi en Ogilvy). De gelikte campagne in de media met het vertrekkende leidersduo president Hu Jintao en premier Wen Jiabao in het middelpunt heeft een harde kern van waarheid.

Onder Hu’s technocratische bewind verviervoudigde de omvang van de Chinese economie, verdrievoudigden de lonen en salarissen en werden honderden miljoenen plattelanders en stedelingen uit de armoede getrokken.

Het jaarinkomen per hoofd van de bevolking steeg van omgerekend 1.400 naar 4.600 euro. Schrijnende Indiase toestanden, zoals veel daklozen en een straatarme onderlaag, doen zich in China door de invoering van zorg- en pensioensystemen en een aanhoudende vraag naar arbeid niet meer voor, of het moet in sommige uithoeken zijn.

Bekijk op de websites van de Wereldbank of de Aziatische Ontwikkelingsbank de grafieken over de verkopen van auto’s, mobiele telefoons, huizen, villa’s, internetgebruikers en buitenlandse investeringen en je ziet alleen maar snel stijgende lijntjes.

De Chinese staatskapitalisten bouwden onder de dekmantel van het marxisme de tweede economie van de wereld met een fantastisch netwerk aan trein- en luchtverbindingen. In termen van buitenlandse deviezen is China het rijkste land ter wereld geworden. Geen internationaal bedrijf, geen exporterende natie kan meer om het ‘Land van het Midden’ met een snel groeiende middenklasse heen.

En toch lijken de Chinezen minder tevreden dan tien, vijftien jaar geleden. Er wordt op internet met 750 miljoen gebruikers en meer dan 500 miljoen twitteraars enorm geklaagd; het ongenoegen spuit van de beeldschermen af.

Er wordt steeds vaker en massaler gedemonstreerd tegen landonteigeningen, uitbreiding van chemische complexen (vorig weekend nog in havenstad Ningbo) en tegen willekeurige arrestaties door de gewapende paramilitaire politie.

„Ik ben ontslagen door een staalbedrijf, een staatsbedrijf. We hebben nog geprotesteerd maar dat had geen zin. Ik ben 36 jaar en ik heb geen pensioen. Ik wil een noedelstalletje beginnen maar ik heb geen spaargeld en krijg ook nergens een lening. Nu werk ik in een nette massagesalon. Dat verdient minder dan de seksindustrie, maar is wel gezonder.” (Masseuse, 36, Zhengzhou)

„Vroeger kon ik in het grote meer hier in de buurt zwemmen, je loopt nu een acute vergiftiging op. Het Oosten kleurt niet rood, maar zwart van de luchtvervuiling. Mijn grootste zorg is dat mijn gezondheid door de milieuvervuiling wordt aangetast, ik heb een doktersverzekering, maar toch.” (Zakenman, 60, Suzhou)

„Mijn land is geconfisqueerd, ik heb bijna geen vergoeding gekregen. We hebben nog geprotesteerd en een advocaat ingeschakeld, de zaak loopt nog. We zijn ook ons huis kwijtgeraakt en huren nu een kamer in de stad. Maar je kan in Shanghai niet rondkomen van een arbeidersloon. Ik zie hier dat de rijken alleen maar rijker worden en de armen armer.” (Vuilnisophaler, 39, Shanghai)

Deze veelgehoorde verzuchtingen zijn ook terug te vinden in de Chinese media en in het recente opinieonderzoek in China van Pew Research uit New York. Van de ondervraagde Chinezen zegt 70 procent dat hun leven in de afgelopen tien jaar is verbeterd dankzij de invoering van de vrije markt. Weinig Chinezen willen de markthervormingen terugdraaien, maar ze maken zich wel zorgen over de groeiende kloof tussen arm en rijk en vooral over de corruptie, waar iedereen ervaring mee heeft.

„Ik moest onlangs om een vergunning te krijgen om een van mijn fabrieken uit te breiden, vier hoofden van overheidsinstanties betalen en zij verwachten dat ik bij ieder Chinees festival diners geef. Ach, het hoort bij het zakendoen.” (Eigenaar/oprichter motorenfabriek, 69, Chongqing)

„Toen mijn vader geopereerd moest worden, moest ik de dokter een rode envelop met inhoud geven want anders was mijn vader niet eens op de wachtlijst geplaatst. Ook voor het gebruik van goede medicijnen vroeg de dokter om een rode envelop.” (Journaliste, 34, Nandong)

„Als ik een baan bij de overheid wil, moet ik daar of veel geld voor betalen of over heel goede connecties beschikken. Daarom ben ik een eigen bedrijf begonnen.” (Architect, 36, Zhengzhou)

Professor Lu Hanlong herkent de citaten meteen. „Corruptie is een enorm probleem, het is een teken dat de samenleving harder is geworden, egoïstischer. Mensen vegen alleen de sneeuw van hun eigen dak en niet, zoals vroeger, ook nog de sneeuw van de daken van de buren. Er wordt gebroken met eeuwenoude culturele concepten en dromen.”

Lu legt uit dat sinds China in de jaren tachtig de vrije markt omarmde, het recht op privébezit in de wet is opgenomen en de ongelijkheid is gegroeid. Het filosofisch concept uit de Chinese Oudheid voor de ideale samenleving – ‘datong’ (alles samen) – is daarmee begraven.

Datong is de gedroomde wereld, een harmonieuze, vredige maatschappij waarin alle bezittingen en rijkdommen worden gedeeld. Dat China in de vorige eeuw openstond voor het communisme en de denkbeelden van Mao accepteerde, is terug te voeren op het antieke datong-concept.

Na de dood van Mao schudde Deng Xiaoping het zwaar verarmde China wakker en gooide de deuren naar de wereld open. Deng greep daarbij terug op een ander eeuwenoud ideaalbeeld, de ‘xiaokang’- maatschappij. Deze filosofie uit het Tang-tijdperk laat zich vertalen als ‘iedereen een beetje rijker in een competitieve samenleving’. Lu Hanlong omschrijft het verschil tussen ‘datong’ en ‘xiaokang’ als het verschil tussen communisme en de sociaal-democratie. De werkelijkheid is dat onder de CPC het staatskapitalisme is opgebloeid, een systeem met grote gaten in de sociale vangnetten.

Droomden Chinezen in de tijd van Mao Zedong over een fiets, een radio, een horloge en een naaimachine, tegenwoordig volstaan zelfs de ‘Acht Groten’ (een kleurentelevisie, een koelkast, een stereo-installatie, een motorfiets, meubilair, een wasmachine, airco en een camera) niet meer als symbolen van welstand, stelt Lu. „Tegenwoordig kan niemand meer zonder de Drie Groten.” Modern China droomt van „een goede opleiding, een eigen huis en een auto”.

Lu Hunlong: „De tragiek is dat velen ontdekken dat die Chinese droom voor hen onbereikbaar is. Het is voor kinderen van boeren bijvoorbeeld bijna onmogelijk geworden om toegelaten te worden tot een goede universiteit. Voor de 200 miljoen arbeidsmigranten is een huis kopen in de stad waar ze werken ook onmogelijk.”

Misschien is dat maar goed ook voor het mondiale klimaat en de grondstoffenvoorraden, maar de onvervulde dromen vormen voor de partij een politiek risico van formaat. Tot nu toe hebben Chinezen het te druk gehad met rijker worden en bemoeiden zich daarom niet of nauwelijks met het bestuur van het land. Daar komt verandering in: op het internet en ook in nu nog ondergrondse boeken en verboden toneelstukken. Het stilzwijgende contract tussen de partij en het land (macht in ruil voor welvaart) staat onder druk.

„In het afgelopen Gouden Decennium stagneerden de politieke en economische hervormingen. De toenemende onrust wordt met een steeds grotere politie- en staatsveiligheidsmacht onderdrukt. Stagnatie en stabiliteit vormen de erfenis van Hu Jintao. Economische hervormingen en politieke veranderingen dienen zich onvermijdelijk aan, want de legitimiteit van de partij vermindert, er is een diep gebrek aan vertrouwen in de bestuurders.” (Historicus, 64, Peking)

„Ik ben tamelijk optimistisch en heb alle vertrouwen in onze nieuwe leider Xi Jinping. Je leest ook in de partijpers steeds meer over de noodzaak van economische hervormingen en politieke herstructurering. Een instabiel en chaotisch China is in niemands belang.” (Televisiemaker, 64, Chongqing)

Socioloog en publicist Lu Hanlong knikt. „De politieke stabiliteit begint grote scheuren te vertonen. In onze spiegel komen ouderdomsbarsten.” Lu noemt het volgende voorbeeld „veelzeggend” en „schokkend”: vorige maand werd in Anhui een buschauffeur ter dood veroordeeld omdat hij twee artsen had gedood die zijn zieke zoontje niet wilden behandelen zonder eerst een met cash gevulde rode envelop – waarin Chinezen elkaar geschenken geven – ontvangen te hebben. Tienduizenden internetters toonden zich solidair met de moordenaar en niet met de slachtoffers.

„Het is slechts een kwestie van tijd voordat we politieke hervorming en vrijheid van meningsuiting krijgen. We bevinden ons in een overgangssituatie. De oude toestand is nog niet opgeruimd, de nieuwe toestand moet nog vorm krijgen. De nieuwe leiders wacht een enorme taak en als zij mislukken is dat een ramp voor China en de wereld.” (Toneelschrijver, 73, Shanghai)