Alles wordt meer

andere tijden, vpro

Wordt er over een kwart eeuw nog Nederlands gesproken? En als dat zo is, hoe zal het dan klinken? Terwijl ik naar de reclamespotjes op de televisie zat te kijken en te luisteren, dacht ik opeens aan Hendrik Colijn. Hoe is het mogelijk. Het geheugen stelt je vaak voor verrassingen. Ik was een jaar of tien, zat met mijn vader in de Cineac, de bioscoop die ieder uur het wereldnieuws vertoonde. Daar kwam Colijn, onze minister van Koloniën. Hij stond in een kerk in Hoorn en herdacht daar de 350ste geboortedag van Jan Pieterszoon Coen, een van de grondleggers van het Nederlandse wereldrijk. Het klonk als een zwaar, langzaam en plechtig gedonder. Ik zei: „Wat praat die man raar.” „Zo praat hij altijd”, zei mijn vader zachtjes.

Dat was in 1937. Door de toestand in de wereld – naderende oorlog, crisis, werkloosheid – stond thuis de radio vaak aan. Je moest weten wat er gebeurde. Voor zover ik me herinner hadden al die stemmen iets Colijn-achtigs. Geen wonder. In de jaren dertig was Nederland een vrome natie en wie in het openbaar sprak, kreeg onvermijdelijk de allure van een hoeder, plaatsvervanger van God. De Duitsers waren de uitzondering, die begonnen gewoon te schreeuwen als ze een microfoon zagen.

Het plechtig spreken heeft zich hier nog lang na de oorlog gehandhaafd. Van 1946 tot 1986 is Philip Bloemendal degene geweest die de tekst bij het bioscoopjournaal sprak. Woord voor woord te verstaan, nooit een misverstand, maar hij had een rudiment van plechtigheid in zijn stem. Later heeft hij nog de haltes van de Amsterdamse metro afgeroepen. Een lust om naar te luisteren. Intussen is er een prijs naar hem genoemd. Op 13 december wordt die weer uitgereikt aan degene die voor de microfoon het beste, het meest verstaanbare Nederlands heeft gesproken. Al tientallen jaren geleden is de grote verandering begonnen. De jeugd vond het toen gebruikelijke algemeen beschaafd te deftig. In de nieuwe behoefte werd voorzien door Radio Veronica, Vééroooonica! Je ben jong en je wilt wat. Door de popmuziek begon het Engels aan zijn opmars die tot op de dag van vandaag verder gaat. Een paar jaar geleden ben ik begonnen met het samenstellen van een Nederengels woordenboekje waarin de leenwoorden – zo noemen we ze nog – fonetisch worden gespeld. Daarbij word ik door een paar meelmakkers (vroeger penpels) geholpen. Hierbij dank. Maar langzamerhand nader ik tot de conclusie dat het een uphilstruggel is. Je kunt dat overnemen van Engelse woorden lui, gemakzuchtig, serviel, misplaatst gewichtig vinden, maar tegen internet, de invloed van de digitale communicatie, de mondialisering valt niet te vechten.

Intussen verandert de taal ook nog op andere manieren. ’s Ochtends zit ik vaak met veel schoolkinderen in de tram. Ze schreeuwen, duwen en vechten nog wel, maar minder dan vroeger. Steeds meer zijn er verdiept in wat ze op hun iPhone zien. Wat ze daar voor krompraat leren blijft verborgen. Maar des te beter kan ik horen wat de anderen tegen elkaar zeggen. Dat is in de loop der jaren steeds minder gearticuleerd en in zekere zin ingewikkelder geworden, en ze spreken sneller. Eén op de drie zinnen eindigt met ‘of zo’. Om de haverklap hoor je: zeg maar. Zou ik voor de verandering eens een lijst met nietszeggende tussenwerpsels aanleggen? Dat is al gedaan, door de taalkundige Jan Stroop, de ontdekker en beschrijver van het Poldernederlands.

Er is nog oerkracht die door verder uitbreidende invloed van de media zich steeds sterker doet gelden, ook in de verandering van de taal. Bijna iedereen wil zo veel mogelijk opvallen, zo veel mogelijk verkopen, zo goed mogelijk in de markt staan. Andy Warhol voorspelde dat er een tijd zou komen waarin iedereen het recht had een kwartier wereldberoemd te zijn. Die tijd ligt achter ons. Zo lang mogelijk opvallen is de boodschap, hoe dan ook, iedere dag. Ieder mens is zijn eigen reclamebureau. Dat zie je bijvoorbeeld op de reclameblokken op de televisie. Als je daarmee een halve eeuw geleden was geconfronteerd, zou je gedacht hebben dat er een gekkenhuis was losgebroken. En natuurlijk wordt er veel Engels in geschreeuwd.

Een van de zuiverste voorbeelden vind ik het weerbericht. In vijf zinnen kun je zeggen wat voor weer het morgen en overmorgen zal worden. Het moderne weerbericht bestaat uit een minuut of tien leuk praatjes maken en aan het slot wordt er verklapt of het zal gaan regenen. Soms luister ik naar Classic FM, omdat ik het Adagio van Albinoni weer eens wil horen. Daar wordt me om de haverklap verzekerd dat ik naar de mooooiste muziek luister. Alles wordt meer zonder dat het iets toevoegt.