Academische Amerikanisering

Voorwoord

De Nederlandse universiteiten worden Amerikaanser. Maar meer in stijl dan in inhoud: Engels, carrière-management en een beetje glamour.

‘Master’, ‘Ph.D’, ‘post doc’, ‘ranking’, ‘impact factor’: in de statige academiegebouwen van Leiden tot Groningen klinkt de laatste jaren onversneden anglo-Amerikaans jargon (zie pagina 13 van deze wetenschapsbijlage). Heeft de ‘amerikanisering’ ook toegeslagen aan de vaderlandse universiteiten?

Amerikanisering is een speciaal geval van wat antropologen acculturatie noemen: cultuurverandering onder invloed van langdurige aanraking met een andere cultuur. En aanrakingen tussen wetenschappers aan beide oevers van de grote plas zijn enorm toegenomen. Nederlanders studeren, doceren en onderzoeken ginds, en Amerikanen komen dat hier doen (zie pagina 8-10). Toch lijkt navolging door Nederlandse universiteiten van Amerikaanse voorbeelden vooral een vormkwestie. Dat Harvard en Yale hier gelden als modellen van academische uitnemendheid maakt van de Nederlandse hogescholen nog geen klonen van Amerikaanse colleges, en van Nederlandse universiteiten geen Amerikaanse. Al was het maar omdat de financiering in de VS in belangrijke mate particulier is (zie pagina 4-5).

‘Amerikanisering in Nederland is meer een kwestie van stijl dan van inhoud’, schreven de sociologen Jaap Kooijman en Giselinde Kuipers vier jaar geleden in het vakblad Sociologie (2-3/2008). ‘De Amerikaanse cultuur’, zeggen zij, ‘is geen dwingende invloed van buitenaf, die Nederlanders passief ondergaan. Ze hebben zich die cultuur actief, maar selectief toegeëigend en hebben er al doende iets van gemaakt waarin ze zichzelf herkennen. Dat proces van toe-eigening komt neer op vernederlandsing van Amerikaanse cultuurelementen.’

De auteurs hebben dit niet onderzocht, maar hun conclusie lijkt ook op te gaan voor ‘academische acculturatie’. In Nederland slaan vooral Amerikaanse organisatiemodellen en managementstijlen aan: herinrichting van het hoger onderwijs (goedkoper, korter, meer arbeidsmarktgericht) en loopbaanmanagement (het ‘verdienen’ van een vaste aanstelling).

In 2002 werd in het Nederlandse hoger onderwijs de zogenoemde bachelor-masterstructuur ingevoerd. Dat lijkt op het eerste gezicht een kopie van het Amerikaanse systeem, maar de argumenten om het in te voeren waren vooral Europees. In 1999 spraken 29 Europese landen af om hun stelsels van hoger onderwijs op elkaar af te stemmen en zo te komen tot één Europese ‘hoger onderwijsruimte’ met onderling vergelijkbare academische graden. Daarbij kozen ze voor het gestroomlijnde Amerikaanse systeem.

Met tenminste één, niet onbelangrijk, verschil. De Europese bachelor duurt in principe drie jaar – die in de VS duurt vier jaar. De achterliggende gedachte was in Nederland dat iemand al met een bachelor de arbeidsmarkt op zou kunnen en dat dit een besparing zou opleveren. In de praktijk gaan veel Nederlandse studenten nog een jaar door voor de mastertitel. Om intrede in de maatschappij nog wat uit te stellen, en om voor alle zekerheid een hogere kwalificatie te halen. In de VS ben je na vier jaar pas bachelor, met veel minder toegespitste vakkennis.

Nederlanders die hier aan een promotietraject beginnen, weten over het algemeen meer dan een beginnende postgraduate student in de VS. De Amerikanen halen dat wel in, want de eerste twee jaar van graduate school zijn heel intensief. Maar dat zijn alleen de promovendi.

Amerikaanse universiteiten kennen het systeem van tenure track (TT), waarbij tenure staat voor een vaste aanstelling. Die wordt niet meteen aangeboden aan kandidaten, maar pas na het doorlopen van een aanloopperiode van vijf tot tien jaar, waarin men zich moet bewijzen. Sinds een paar jaar wordt in Nederland op enkele plaatsen, zoals de Groningse faculteit Economie en Bedrijfskunde, met dit ‘loopbaaninstrument’ gewerkt. In de meeste gevallen moet iemand zich dan een paar jaar bewijzen als universitair docent in tijdelijke dienst voor hij een vaste aanstelling krijgt als universitair hoofddocent in vaste dienst.

‘Tenure track’ heeft als voordeel dat mensen moeten publiceren. Het nadeel, zo blijkt uit de Amerikaanse praktijk, is dat bachelor- en masterstudenten worden afgescheept met teaching assistants, omdat de docenten te druk zijn met schrijven. En als de vaste aanstelling binnen is, zijn mensen soms zó afgejakkerd dat ze daarna bijna niets zinvols meer publiceren. Over TT in Nederland is het laatste woord nog niet gezegd.

Een ander Amerikaans gebruik dat nu in academia wordt omhelsd is de kwantificering van kwaliteit en resultaten – rankings van universiteiten, de impact factor van tijdschriften, een gevolg van de internationalisering van het wetenschapsbedrijf (zie pagina 2-3).

Tenslotte hebben nog twee andere stijlvormen hun weg gevonden naar de Nederlandse universiteiten: de uitbundige viering van behaalde academische prijzen en de wetenschapper als celebrity, die regelmatig optreedt in praatprogramma’s (zie pagina 12). En dat gaat in tegen een oude, maar snel slijtende Nederlandse norm: geen koppen boven het maaiveld; geen hovaardij.