13 redenen om van te houden New York 1 Omdat zelfs de wc’s van wereldklasse zijn Omdat de New Yorkse galeriewereld de perfecte kunstkijkdoos is Omdat de skyline weer tot in de hemel reikt Omdat je de leukste mensen tegenkomt als je in de kou jezelf om zeep staat te helpen Omdat de agenten niet schieten Omdat de burgemeester een wetenschapsman is 2 3 5 6 4 Omdat New Yorkers een natuurramp aangrijpen om hoger op de apenrots te komen 7 Omdat New Yorkers steeds nieuwe manieren bedenken om de anonieme metropool de sfeer te geven van een dorp waarin je een verloren knuffel zo terughebt 8 10 Omdat Erica Simone voor een kunstproject spiernaakt de metro nam, sneeuw ruimde, etalages keek, boeken uit de bieb haalde en sigaretten kocht... en niemand ervan opkeek 11 Omdat New Yorkers zelfs als het faliekant misgaat nog mazzel hebben 9 Omdat er niks boven een goeie ouwe New Yorkse taxichauffeur gaat (behalve een goeie nieuwe New Yorkse taxichauffeur) 12 Omdat de kroegen concertzalen zijn 13 Omdat Louis Halsey en John Spofford Morgan elkaar na 64 jaar het jawoord gaven

Omdat...

...een man die met z’n gezicht op

de elektriciteitsrail van de metro viel...

... een baby die werd geboren op het perron

van metrostation Bowling Green...

...een man die een aircokast op z’n hoofd kreeg...

... een vrouw die werd gebeten door

een hondsdolle wasbeer...

...een man die van de veertigste verdieping

sprong en op een Dodge Charger terechtkwam...

... een kleuter van drie die in the Bronx van

driehoog uit het raam viel...

...een man die nietsvermoedend met Halloween

over straat liep en in elkaar werd geslagen door een man die verkleed was als een enge clown...

...een metro-medewerker die van

een hooggelegen perron in Queens op straat kukelde...

...een man die met z’n auto van de snelweg raakte

en in een moeras terechtkwam...

...een gezin van zes personen dat in

een brandend huis zat...

het er levend afbracht.

Door Michael Idov

Wie aan New York denkt, denkt niet onmiddellijk aan fantastische sanitaire voorzieningen – zelfs niet sinds burgemeester Bloomberg de stad zo netjes heeft opgepoetst. Want waar Parijs zijn Sanisettes heeft, moeten New Yorkers zich met Starbucks behelpen. Toch mogen New Yorkers zich best op de borst kloppen: de afgelopen twee jaar eindigden maar liefst twee New Yorkse toiletten bij de verkiezing van ‘America’s Best Restroom’ in de toptien.

Niet dat die verkiezing zoveel voorstelt. Het is een initiatief van een sanitairfabrikant, Cintas Cooperation, die op deze manier aan zijn naamsbekendheid werkt. Maar toch: vier van de beste Amerikaanse wc’s, op een totaal van 250 miljoen, bevinden zich bij ons in de stad! De gelukkigen zijn de wc’s van restaurant Habana Outpost in Brooklyn, het Muse Hotel, restaurant Ninja New York en het Bryant Park.

Bij wijze van journalistiek onderzoeksproject zijn we ze persoonlijk gaan testen. Habana Outpost scoort duidelijk hoog op aspecten als milieuvriendelijkheid en sfeer. Het kleinste kamertje staat buiten op het erf (net als thuis in Cuba), is verfraaid met tientallen echte planten, en de spoelbak wordt gevuld met regenwater. Om diezelfde redenen is het toilet (net als het restaurant) helaas alleen ’s zomers geopend.

The Muse is vermoedelijk gekozen vanwege de sexy uitstraling. De wc-hokjes dragen namen als ‘PASSION’, ‘VAIN’, ‘GLAM’ en ‘REBEL’; het invalidentoilet heet ‘MACHO’.

De toiletten van Ninja New York zijn het moeilijkst binnen te dringen. Je moet eerst met de lift naar de eetzaal, en als je daar uit stapt, doemt er uit het duister een ninja op die ‘Aaaaaiii!’ roept. Ninja dankt zijn topnotering ongetwijfeld aan de keuze voor de Toto Wahslet, het beroemde toilet met ingebouwde onderdouche (wat dit betreft lopen de Cintas-stemmers een beetje achter; ten minste vijf andere Japanse restaurants in New York hebben ook Washlets, zij het zonder schreeuwende ninja’s).

Onze favoriet is het Bryant Park. De pluspunten van deze restroom – een schone vloer, mooie tegeltjes, een toiletjuffrouw (m/v), verse bloemarrangementjes – lijken misschien niet zo heel indrukwekkend, totdat je bedenkt dat dit een openbaar toilet is. Met zo’n retirade binnen zijn stadsgrenzen mag New York zich gerust een van de beste plaatsen ter wereld noemen om een plas te plegen.

Door Jerry Saltz

Iedereen die van kunst houdt, moet wel onder de indruk zijn van de enorme verscheidenheid en de sprankelende magie van de New Yorkse galeries. Alleen al in het stuk West 24th Street tussen Tenth en Eleventh Avenue is waarschijnlijk meer vloeroppervlak met kunst gevuld dan in alle galeries van Amsterdam of Hamburg bij elkaar. Toch schuilt de grootsheid niet eens zozeer in de omvang van het aanbod, maar in de ongelooflijke rijkdom aan ideeën en activiteiten, in de aanwezigheid van zoveel talent en bevlogenheid in zo’n klein gebied. Daaruit ontstaat een levend organisme dat de geest scherpt en van zuurstof voorziet. Ik zou niet zonder kunnen.

Elke maand bezoek ik zo’n honderd exposities, in galmende kunstpaleizen, maar evengoed in piepkleine ruimtes in Brooklyn. Al die galeriehouders moeten rekeningen betalen, kunstenaars tevreden houden en zich verstaan met collectioneurs (auw!), conservators (ai!) en critici (oei!), en zo nu en dan een loodgieter. Dat ze vaak maar nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden, maakt hun drive alleen maar groter.

Uit de fysieke nabijheid van al die galeries ontstaat een bijzondere kruisbestuiving, van onderzoek, ontwikkeling en ondernemingszin, van toevallige ontmoetingen en wonder schone chaos. Wil je laatmiddeleeuwse paneelschilderingen vergelijken met de monumentale foto’s van Jeff Wall? Dat kan op loopafstand van elkaar, bij de galeries van Richard L. Feigen en Marian Goodman. Natuurlijk, 85 procent van het kunstaanbod is bagger. Maar welke 85 procent dat is, daarover verschilt iedereen van mening. Wat dan weer aanleiding is tot discussie en soms onverwachte interactie.

Neem de guurste dag die ik me in tijden herinner, een zaterdag in oktober dat het aan een stuk door sneeuwde. Ik had me dik ingepakt, op het ergste voorbereid, maar in plaats van barre ellende wachtte mij pure magie. Bij Peter Blum in SoHo kreeg ik een compleet andere kijk op kunst door een ruim zevenhonderd jaar oude schaal, met een schildering van een kraanvogel die zich vooroverboog om een vis te vangen. Er ging een wereld aan nieuwe ideeën voor me open, over ronde vormen, de textuur van kiezels, het mysterie van het bewustzijn. Vol nieuwe energie toog ik naar KS Art, een kleine galerie in Tribeca, waar ik schitterend getekende Londense landschappen zag van een mij volkomen onbekende kunstenaar, wijlen Tom Fairs. Die hangen voortaan ook in mijn inwendige museum.

Daarna ging ik naar de West Village en meteen door naar Chelsea. Bij Maccarone laafde ik me aan een van de beste exposities van het jaar. Een door schilder Bjarne Melgaard samengestelde tentoonstelling met werk van insiders, outsiders en andere genieën, kolkend van woede en inventiviteit.

Aan het eind van de middag zorgde de perfecte kunstkijkdoos van Manhattan voor een nieuwe verrassing. Ik dacht dat ik het wel gezien had bij de expositie van Nan Goldin in de Matthew Marks Gallery – te makkelijk, vond ik – maar omdat het weer harder was gaan sneeuwen, bleef ik toch nog even hangen. En ineens kwamen haar fotocollages van liefdesparen en schilderijen uit het Louvre voor mijn ogen tot bloei: ik zag hoe Goldin zichzelf transformeerde tot een open zenuw. En hoe ze datzelfde effect had op mij. Ik was totaal overrompeld. Alweer.

Door Justin Davidson

Toen Lehman Brothers ten onder ging, kwamen de hijskranen knarsend tot stilstand. De bouw raakte in een diepe dip, en de New Yorkers kregen de rust om zich te bezinnen op wat de voorbije boom eigenlijk had gebracht. Maar een dynamische stad kan zich geen lange winterslaap veroorloven, en New York wordt alweer wakker door het gedreun van de heipalen. Want de projectontwikkelaars hebben intussen deals gesloten, bouwplannen vervolmaakt en aangeklopt bij de ambtenaren van burgemeester Bloomberg, die maar wat graag wilden helpen. En zo nadert de negentig verdiepingen tellende One57-toren van architect Christian de Portzamparc in West 57th Street zijn voltooiing en staan plannen voor vergelijkbare kolossen in de wacht als jumbo’s op de startbaan: 15 Penn Plaza, West 53rd Street naast het MoMA, de Ninth Avenue Towers. Die worden stuk voor stuk hoger dan de Chrysler Building en kunnen de Empire State Building recht in de ogen kijken.

In de bouwluwe periode werd aan een aantal grote projecten gestaag verder gesleuteld, tot ineens schijnbaar overal tegelijk de bouwhelmen tevoorschijn kwamen. De negorij van Willets Point in Queens wordt eindelijk op de riolering aangesloten en rijp gemaakt voor de komst van een nieuwe woonwijk, compleet met congrescentrum en een hotel, vlakbij het Citi Field-honkbalstadion. In Brooklyn is begonnen met de bouw van het Atlantic Yards-complex, een cluster gigantische woontorens, waaronder de hoogste prefab-toren ter wereld. In de West Side is de realisering van het Hudson Yards-project, een gigantisch woud van kantoorkolossen, een stukje dichterbij gekomen nu lederwarengigant Coach heeft toegezegd om zich daar te vestigen.

Het One World Trade Center, het eerste gebouw van het nieuwe complex op de plek van de ingestorte Twin Towers, wordt eind volgend jaar geopend, en ook de bouw van torens Two, Three en Four vordert gestaag. De plannen voor een science park op Roosevelt Island liggen op de tekentafel. En zelfs in de notoir saaie wereld van de middenklassewoningen staat iets moois te gebeuren: op Long Island verrijst Hunters Point South, een nieuwbouwwijk aan het water met uitzicht op Manhattan, ontworpen door onder meer het modieuze architectenbureau SHoP.

Het mooiste van deze bouwwoede is dat het resultaat een stuk aantrekkelijker lijkt te worden dan voorheen het geval was. Tot de jaren negentig gold New York als een dodelijke stad voor architecten: de grond was te duur, de regelgeving te streng en het politieke klimaat te verstikkend om iets anders mogelijk te maken dan grauwe middelmaat. Tijdens de vorige ontwikkelingsgolf verrezen er betere gebouwen, al werd architectuur vaak ingezet als marketingstrategie, met blitse gevels als blikvanger. Maar New York begon wel weer warm te lopen voor architectuur met ambitie, en hopelijk zal dat hervonden gevoel voor esthetiek bij de volgende groeispurt samengaan met aandacht voor zaken als betaalbaarheid, zorg voor de openbare ruimte en doordacht design. Voor het moment krijgt de skyline er in elk geval weer een paar bakens bij – al mogen New Yorkers graag bakkeleien over de vraag of ze geslaagd zijn (‘Veel te groot!’ ‘Vloekt met de omgeving!’ ‘Fenomenaal!’)

Het beste alternatief voor een goed maar duur plan is nog altijd een beter en goedkoper plan. Als de New Yorkers ergens handig in zijn, dan is het wel om de hoogste kwaliteit te bedingen voor de laagste prijs. En deze keer nemen ze met minder geen genoegen.

Door Chris Smith

De vraag was in welk opzicht zijn leven was veranderd door de dood van zijn vader, maar om de een of andere reden was burgemeester Bloomberg losgebrand in een wetenschappelijk college. „Ik werkte ’s zomer voor U.S. Sonics”, vertelde hij enthousiast. „Daar maakten ze piëzo-elektrische kristallen; door keramisch materiaal te vervormen, verandert de elektrische spanning. Ik werkte bij een bedrijf dat banen voor satellieten berekende, gewoon handmatig. Je hebt geen idee hoeveel verschillende banen er zijn!”

De meeste politici zouden met zo’n antwoord komen om een lastige vraag te ontwijken. Maar bij Bloomberg ís wetenschap vaak het antwoord. Daar heeft de stad niet alleen veel profijt van, het is ook iets om trots op te zijn in een tijd dat Amerikaanse politici het niet zo nauw nemen met de empirische waarheid en christelijk rechts liever vergeet dat onze staat is gesticht door wetenschappers – Founding Fathers als Jefferson en Franklin.

In zijn hart is de steenrijke burgemeester altijd de man gebleven die elektrotechniek studeerde aan de Johns Hopkins University. In veel van zijn belangrijkste wapenfeiten – het rookverbod, de stadsvernieuwing, de fietspaden – herkennen we de drang van de techneut om mensen en middelen zo efficiënt mogelijk te gebruiken.

Het lijdend voorwerp van zijn experimenten, de bevolking, is niet altijd even gelukkig met Bloombergs koele manier van redeneren en zijn gehamer op kennis, bijvoorbeeld in het openbaar onderwijs. Toch is ook de grootste fysieke en intellectuele nalatenschap van zijn drie ambtstermijnen, die inmiddels vorm begint te krijgen, weer typisch iets voor de nerd in de burgemeester: de peperdure wetenschapscampus die de gemeente opricht in samenwerking met partners als Cornell en New York University. Er zullen ongetwijfeld indrukwekkende innovatieplatforms en onderzoekslaboratoria van de grond worden getild. Maar misschien moet er op dat mooie, nieuwe science park ook alvast een collegezaal worden gereserveerd voor een wel heel bijzondere gasthoogleraar.

Door Will Leitch

Het vergaande rookverbod is met afstand de meest geslaagde publieke campagne van burgemeester Bloomberg. Het begon met de cafés en restaurants, daarna volgden de kantoren, parken en stranden. En naar verluidt zijn binnenkort de trottoirs en de auto’s aan de beurt. Dat is natuurlijk goed voor New York, en goed voor zijn inwoners. En zolang ze nog voor de deur van de kroeg mogen staan, is het ook goed voor de rokers.

Er bestaat een hechte lotsverbondenheid onder de laatste rokers in de stad, de echte volhouders, de bikkels die minutenlang de sneeuw trotseren voor een peuk. Ze hebben altijd een gespreksonderwerp paraat – ze zijn mooi klaar met die Bloomberg, staan ze hier verdorie te blauwbekken – en ze hebben dezelfde problemen, zoals sociale uitstoting en een mopperend thuisfront. En ze gaan ook echt met elkaar in gesprek. Want wanneer ontmoet je nou iemand die net zo’n zin in een praatje heeft als jij? Als roker sta je daar toch maar te staan, al gauw een minuut of zeven, terwijl je niks anders om handen hebt. En dat is een ongekende luxe in New York. Want in dit internettijdperk gebeurt het soms dat je dagenlang niemand spreekt die niet bij je in huis woont, laat staan dat je nieuwe mensen leert kennen. Doordat rokers tot paria’s zijn gebombardeerd, zijn ze nader tot elkaar gekomen.

Nu moet ik iets opbiechten: een paar maanden geleden ben ik gestopt met roken, omdat mijn vrouw in blijde verwachting is. Dat is wel zo gezond, en een wijs en volwassen besluit. Maar ik heb me nog nooit zo eenzaam gevoeld.

Door Joel Stonington

Er hangt een zweem van romantiek rond de jaren zeventig in New York, maar in werkelijkheid was de stad destijds een slagveld. In 1971 werden er bijna 1.500 mensen vermoord, onder wie twaalf agenten van de New York Police Department (NYPD).

Hoe anders is dat tegenwoordig. In 2010 bijvoorbeeld ( de meest recente cijfers) waren er maar 486 moorden, en viel er voor het derde jaar op rij niet één dodelijk slachtoffer aan de kant van de politie. Wel raakten er twee agenten gewond, maar ook dat is niets vergeleken met 1971, toen 47 agenten door criminele kogels werden getroffen.

Dat komt deels doordat de criminaliteit over de hele linie is gedaald. Maar daarnaast trekken agenten minder vaak een wapen, waardoor ze zelf ook minder vaak worden beschoten. En als er al slachtoffers vallen door politiekogels, zijn dat vaker honden dan mensen.

Niet dat de NYPD onomstreden is; zo zouden de misdaadcijfers niet kloppen en is er kritiek op het soms al te enthousiaste fouilleerbeleid. Maar als het om dodelijk geweld gaat, mag de New Yorkse politie best trots op zichzelf zijn. Je hoort er zelden iemand over als er een jaar voorbijgaat zonder een Sean Bell, de donkere, ongewapende 23-jarige man, die in 2006 op zijn vrijgezellenavond door 50 politiekogels werd gedood. Toch zou daar best wat meer aandacht voor mogen zijn.

„Je verwacht uiteraard de grootst mogelijke terughoudendheid van de politie, maar agenten moeten op cruciale momenten wel in actie komen”, zegt Eugene O’Donnell, docent aan het John Jay College of Criminal Justice. „Ze moeten in staat zijn om hun eigen leven en dat van anderen te beschermen. We geven ze natuurlijk niet zomaar een wapen.” Terwijl de naam van Amadou Diallo, een ongewapende Afrikaanse immigrant die in 1999 door de politie werd doodgeschoten, de hele wereld overging, blijven de agenten die om het leven kwamen terwijl ze hun werk deden doorgaans anoniem.

In 2009 kwam de New Yorkse politie 4,4 miljoen keer na een oproep in actie. In 206.000 gevallen waren er wapens van enigerlei soort in het spel. Ondanks die gigantische aantallen werd er maar 47 keer opzettelijk door een agent geschoten.

Het is belangrijk dat er van fouten wordt geleerd, zegt NYPD-woordvoerder Paul Browne. Elk schietincident waarbij de politie betrokken is geweest, wordt uitvoerig onderzocht. Na een aantal gevallen van ‘contagious shooting’, waarbij de politie schiet nadat anderen eerst hebben geschoten, is dat scenario opgenomen in de training. „Tijdens de instructie wordt op terughoudendheid gehamerd”, aldus Browne.

Hoewel de vuurkracht is toegenomen sinds 1993, toen de NYPD overstapte van revolvers met zes patronen naar halfautomatische pistolen met zestien patronen, vuurt de politie minder kogels af. In 2009 waren dat er in totaal 296, per ongeluk afgevuurde kogels meegerekend, tegenover 2.113 in 1971.

En na elk schietincident worden de betrokken agenten ondervraagd. „Het gaat niet zoals op tv, waar agenten gewoon wegrijden als ze geschoten hebben”, zeg O’Donnel. „Zo werkt het niet bij de NYPD. Zelfs als je maar één kogel afvuurt, heb je veel uit te leggen.”

Door Scott Brown

New Yorkers mogen graag zeggen dat ze zich niet door een catastrofe laten kisten. Daar bedoelen ze dan mee dat New Yorkers zich tijdens een catastrofe net zo gedragen als altijd: ze buigen naderend onheil om in een hype die kansen biedt.

Neem de orkaan Irene: burgemeester Bloomberg, die als geen ander snapt hoe het stedelijk sociogram in elkaar steekt, wist precies wat hij deed toen hij de bange burgers hun evacuatieplattegrond gaf. Iedereen zag onmiddellijk welke mogelijkheden die kaart bood om een stukje hoger op de apenrots te komen. Alle inwoners zaten ineens allemaal in een ‘zone’ (A, B of C, of hoog en droog buiten de zones), en hadden daarmee, volgens de spelregels van New Yorks eigen versie van Risk, een nieuwe sociale identiteit gekregen. Op de avond voor het noodweer losbarstte, kozen de waaghalzen die gingen stappen op Fifth Avenue in Brooklyn, de grens tussen Zone B en Zone C, hun kroeg uit aan de hand van het aantal centimeters boven zeeniveau. (Met het oog op de dreigende vloedgolf was het natuurlijk een stuk stoerder om in B te gaan drinken.)

In het hoofd van elke New Yorker draait voortdurend een apocalypsfilm, en hoewel het scenario altijd begint met ‘Hoe kom ik hier in godsnaam levend uit?’, volgen daarna onvermijdelijk scènes als ‘Waar kan ik de beste vastgoeddeals sluiten als het noodlot toeslaat?’ en ‘Wat is de beste plek om celebrity’s te spotten als iedereen elkaar naar de strot vliegt’? Tijdens de hittegolf van diezelfde zomer kwam het erop aan dat je in het goede café zat (met de airco op de juiste stand, natuurlijk geen Wal-mart-vrieskou). En dan was er rond die tijd ook nog de Grote Mini-aardbeving; op welke verdieping zat jíj toen je ’m voelde? En tijdens de barre winter vóór die barre zomer ging het erom waar de hoogste sneeuwbergen lagen: in Nolita of in Brooklyn?

Dat lijken misschien voorbeelden van je kop in het zand steken of, erger nog, vergaande vormen van sociale onthechting, maar volgens mij zijn het juist bewijzen van het tegendeel. New Yorkers pierewaaien niet terwijl de wereld in brand staat, nee, zij proberen rustig te blijven als hen een ramp boven het hoofd hangt. Want zo kunnen ze de koelbloedigheid betrachten die nodig is om – bijvoorbeeld – binnen een etmaal de stad te ontruimen, zonder dat er schot wordt gelost. En oppervlakkigheid is altijd nog beter dan anarchie.

Door Emily Nussbaum

Toen ik vorig voorjaar met mijn gezin de verhuisdozen naar binnen sjouwde, stonden binnen de korste keren de nieuwe buren op de stoep. We wisselden gegevens uit – kinderleeftijden, werk, scholen. „Zit je op Twitter?” wilde Brian van twee deuren verder weten. Hij bleek niet alleen een actieve twitteraar, maar zat ook op Tumblr en hield een blog bij. Net als Megan trouwens, van pal naast ons.

Niet dat we zelf zulke digibeten waren; we hadden ons huis via Facebook gevonden. Toen ik op een koude novembermiddag door Windsor Terrace rondstruinde, had ik enthousiast op mijn prikbord geschreven dat ze in het metrostation van 15th Street gratis wifi hadden. Een paar minuten later vroeg een vriendin wat ik daar deed, en een paar uur later schreef een andere vriendin – die in Wisconsin woonde en die ik al jaren niet had gezien – dat háár vriendin haar huis te koop ging zetten. Nog diezelfde week deden we een bod – nadat we ons eerst in het schoolaanbod hadden verdiept op Insideschools.org, via Google Maps door de buurt waren gewandeld en mijn kritische anonieme vriendinnen op YouBeMom hadden gepolst.

Als je de doemdenkers mag geloven, zijn de sociale media de dood in de pot voor het buurtgevoel en leiden ze tot louter kilheid en vereenzaming. Maar menselijk contact bestaat in vele vormen en gradaties. Niet lang na onze verhuizing zat ik in onze gemeenschappelijke tuin, waar de kinderen in de zandbak speelden, en checkte ik in op Foursquare: het was net alsof onzichtbare buurtgenoten in mijn oor fluisterde waar de leukste cafés en eettentjes waren. („De beste plek om te schrijven in Park Slope. Ga erheen!” las ik over de kroeg waar ik nu stamgast ben.)

Ik zocht op Brokelyn.com en TheSkint.com naar gratis concerten. Ik meldde me aan bij Park Slope Parents, wat resulteerde in een speelafspraak in Prospect Park, een aanhanger voor de fiets van mijn man, en een suède jasje dat ik onderweg naar een werkafspraak op straat kocht. Wat nou vereenzaming! Voordat ik ook maar iemand had ontmoet, had ik al overal lijntjes lopen, die samen een netwerk vormden waar ik met de dag meer plezier van had.

Allereerst op het praktische vlak. Via Brownstoner.com vonden we bijvoorbeeld een goede klusjesman. En toen we tuinmeubilair nodig hadden, reserveerde ik met mijn iPhone een Zipcar, en terwijl mijn man achter het stuur zat, scrollde ik door de advertentiesite Craigslist en reageerde ik op een paar advertenties. (Uiteindelijk kwamen we thuis met acht knalroze stoelen van een restaurant op Fifth Avenue dat ging sluiten.)

Maar er zat ook een persoonlijke kant aan, die wat complexer is om te beschrijven: een web aan draden dat zich in en rondom onze nieuwe kennissenkring ontspon. De ouders van de klasgenootjes van mijn zoontje zaten in een Yahoo-groep en hielden een Google-agenda bij. Sommigen schreven ook blogs, die bij elkaar een compleet archief vormden aan bevallingsverhalen en andere achtergrondinformatie (en ja, ik ben hondsnieuwsgierig). Mijn man zette foto’s uit de buurt op Instagram, en toen hij een keer twitterde dat hij ziek was, bood een van de buren aan om medicijnen langs te brengen. Op een avond in september zaten we net op onze stoelen in de Cobble Hill-bioscoop toen ik een mailtje van een kennis kreeg – hij had op Foursquare gezien dat we daar waren en liet weten dat hij vlakbij een etentje gaf voor zijn verjaardag. En of wij straks ook wat kwamen drinken.

Ik geef toe dat ik veel te veel met mijn telefoon bezig ben – de misdaad van de moderne tijd. Maar berouw heb ik niet. Een maand geleden was Brian (die we inmiddels regelmatig pingen over speelafspraakjes) de knuffel van zijn dochter kwijtgeraakt in de speeltuin, en zonder dat konijn kon het arme kind niet slapen. Toen ik zijn sms’je kreeg, ben ik bij hem thuis gaan oppassen. Maar hij kon het beest niet vinden, en mijn man, die met de fiets op Fifth Avenue was gaan zoeken, evenmin. Dus zette ik een berichtje op Park Slope Parents, en jawel, de dorpspomp werkte: een behulpzame vreemdeling had het konijn in een hoekje zien liggen en kon ons dat nu laten weten.

Door Hanna Rosin

Je mocht in je handjes knijpen als je bij mijn vader in de taxi terechtkwam. Hij was een pietje precies, en in de 37 jaar dat hij op de taxi zat, maakte hij bijna elke avond de wagen schoon, tot achter de bank aan toe. (Drie jaar geleden is hij op z’n 66ste met pensioen gegaan.) Hij was royaal met de luchtverfrisser. Als je je portemonnee of je telefoon in zijn auto liet liggen, dan kreeg je die in dezelfde staat terug. Hij kletste je niet de oren van je kop, zoals de taxichauffeurs op tv altijd doen. Hij zette gewoon Ella Fitzgerald op, schoof het raam open en vroeg of alles goed was.

Er wordt vaak gezegd dat New Yorkers de taxi als biechtstoel gebruiken, en dat is waar. In de drie minuten of drie kwartier dat ze bij mijn vader op de achterbank zaten, konden de klanten even op adem komen en hun hart luchten. Ze vertelden hem over hun nare baas, hun zieke kat en hun affaires – heel veel affaires. Hij had eens een man in de taxi die in huilen uitbarstte omdat hij thuis een vrouw en twee kinderen had en zijn vriendin hem net verteld had dat ze zwanger was; wat moest hij doen? Hij pikte een week lang een beeldschone vrouw op bij het huis van haar minnaar, terwijl ze verloofd was met een ander. In zijn begintijd zetten moeders hun kind van zeven bij hem op de achterbank, gaven hem het adres van hun privéschool en wuifden hem na. Het was de droom van een New Yorkse cabbie: buschauffeur, klaarover, therapeut en wijkagent ineen.

En als je mijn vader zo ver kreeg dat hij verhalen begon te vertellen, dan kreeg je een diep ontzag voor de stad, alsof die geheimen had waar jij in geen honderd jaar achter zou komen. Hij wist waar de drugsdeals werden gesloten en waar je moest zijn voor een middagje rollebollen. Hij wist waar ze de beste spiegeleieren bakten en waar je een schone wc vond. Hij wist dat Jackie Onassis krenterig was met fooi geven. Hij wist dat Ray Charles overdag champagne dronk. Hij wist wat Elliott Gould van Barbra Streisand vond na hun scheiding. Hij wist dat James Gandolfini van korte broeken hield en Edie Falco niet. In zijn laatste jaren reed hij alleen nog in downtown Manhattan, want, zei hij altijd, daar wisten al die jonkies natuurlijk de weg niet.

Niet lang na zijn pensionering nam ik met mijn vader een taxi. We gingen van midtown naar SoHo, en ik zag hem denken: die chauffeur is een broekie, het is nog een Pakistaan ook, hij heeft geen idee waar we zijn moeten, er liggen vast dooie muizen achter de bank en ga zo maar door. Want mijn vader was ervan overtuigd dat hij de laatste der Mohikanen was. Maar toen de man vroeg of alles goed was, zag ik mijn vader ontspannen. Vervolgens liet hij ons foto’s zien van zijn twee kleine kinderen. Daarna raakten mijn vader en hij aan de praat over het vak, over corrupte agenten en handige sluiproutes, en op een gegeven moment begon die man een lied in het Urdu te zingen waarin hij zo te horen de moellahs op de hak nam. Mijn vader schoot in de lach, want wij joden hebben onze eigen moellahs. Uiteindelijk gaf hij hem tien dollar fooi – als taxi-jongens onder elkaar.

Door Robert Sullivan

Het is een goed bewaard geheim dat er op allerlei plekken in New York Ierse sessions worden gehouden, al zijn de muzikanten de laatsten die ze zo zouden noemen. Nog niet zo lang geleden zag ik een stel muzikanten in de Brass Monkey, een café in het Meatpacking District, ineens heel verlegen worden toen een klant vragen ging stellen. „Zijn jullie een band?” Ze schudden het hoofd. „Spelen jullie hier vaker?” De violist haalde zijn schouders op. „Nou”, zei de man terwijl hij afdroop, „ik vind het hartstikke mooi.”

‘Session’ is het Engelse woord voor het Ierse ‘seisiún’, en in New York wordt onder een session een informeel optreden in een café verstaan, waarbij jigs, reels, hornpipes en zo nu en dan een wals worden gespeeld door muzikanten die in een kring of gewoon aan een tafel zitten. Zo’n Ierse session is iets heel anders dan een geïmproviseerde jamsessie; bij een session wordt een bestaande melodie nagenoeg eenstemmig gespeeld. Toch is de session van maandagavond in de Land Mark Tavern in midtown Manhattan heel anders dan die van dinsdagavond in de Swift Hibernian Lounge in de East Village. De stijl, de muzikanten en zelfs het repertoire verschillen.

Meestal zijn er in New York een stuk of zes sessions per week, in gelegenheden als O’Neils in midtown (zaterdag- en zondagavond), de 11th Street Bar in de East Village (zondagavond), of de Brass Monkey (zondagmiddag). Soms spelen er maar twee of drie man, maar vaak trekken goede muzikanten andere goede muzikanten aan. Ooit zag ik in een hoek van de Brass Monkey een session met drie violen, twee fluiten, een accordeon en een harp – een keukensymfonie.

Een session is het tegenovergestelde van een concert. Niks podium of spotlights, gewoon een café en wat stamgasten die de muziek kunnen waarderen. Vaste sessiongangers vallen soms met hun neus in de boter. Wie achter het net had gevist bij het uitverkochte optreden van Sam Amidon in The Kitchen, kon hem in de Swift zien aanschuiven met zijn viool. En wie het WNYC-concert van Dana Lyn had gemist, kon haar horen spelen bij Lillie’s (in de Flatiron-buurt, op zaterdagmiddag).

Natuurlijk zijn er ook weleens mindere sessions. Soms klinkt het een tikkeltje stroef. Maar klassieke liedjes als ‘The Flax in Bloom’ of ‘Give Us a Drink of Water’ hebben niet alleen muzikanten nodig, maar ook publiek, zoals een toon pas zijn diepe klank krijgt door het hout van de viool. Want zelfs op een doordeweekse dag kun je in een mooie kroeg met een paar goede muzikanten een liedje horen dat klinkt alsof het tijden heeft rondgefladderd voordat het landde, en waar iedereen die erbij is gelukkig van wordt.

Door Jesse Green

Als de Columbia-bibliotheek om tien uur ’s avonds zijn deuren sloot, ging John Spofford Morgan, student internationale betrekkingen, altijd met de metro naar de New Verdi op West 72nd Street. In die tijd had je twee soorten homokroegen: versierkroegen en vriendenkroegen. De New Verdi veranderde op 17 mei 1947 van dat laatste in het eerste toen Louis Halsey binnenkwam. „Liefde op het eerste gezicht”, zegt Lou. „Echt?” vraagt John. „Bij mij ging het anders niet zo snel.” Hoe het ook zij, Lou en John brachten samen de nacht door, en vrijwel alle andere nachten in de 64 jaar die daarop volgden. Sinds een maand zijn ze getrouwd.

John is 94 en herstelt van een gebroken heup, maar verder is hij even kloek en knap als hij volgens de 88-jarige Lou altijd is geweest. Op een foto uit 1952, gemaakt op het strand van Beiroet, lijkt Lou sprekend op Tony Curtis, met zijn gladde pommadekapsel, en is John net JFK, alleen, zoals zijn moeder altijd over hun familie zei: „Wij hebben een onderkin.”

Ze dienden in de Tweede Wereldoorlog allebei bij de marine, maar op verschillende oceanen, zoals ze ook op het land in verschillende werelden verkeerden. John, die nog steeds met een deftig, ouderwets accent spreekt, had een baan als econoom. Lou, telg uit een Hongaarse immigrantenfamilie, was tientallen jaren kapper in het Westbury Hotel. Hij draagt ringen en felle kleuren, John nadrukkelijk níet.

Maar hun homoseksualiteit was de grote gelijkmaker. En dat is hun huwelijkse staat nu tegenover de buitenwereld. „Mensen zeiden: ‘Als jullie een echt paar zijn, waar is jullie boterbriefje dan?’” vertelt Lou. „Dat hebben we nou eindelijk.” In het geregistreerde partnerschap dat al eerder voor homo’s werd opengesteld, hadden ze geen zin. („Dat is half werk”, zegt John), en omdat ze toch al allerlei financiële zaken hadden geregeld, vonden ze het niet nodig om in bijvoorbeeld Iowa te gaan trouwen, waar het homohuwelijk al langer bestaat. Maar toen ook New York zo ver was, was het een uitgemaakte zaak. „Als je het zwart op wit hebt”, zegt Lou, „dan is het afgerond.”

De korte plechtigheid, met een dominee en drie getuigen, was bij hen thuis in de Village, op 11 november 2011. Die datum kozen ze omdat het ze al jarenlang een mooi moment vonden als de klok bij hun bed 11:11 aangaf. Ringen of cadeaus kwamen er niet aan te pas. „Alleen whisky”, zegt Lou. „Maar hij daar” – hij zwaait naar John – „moest huilen.”

„Echt?” vraagt John.