Willem Barendsz’ ‘heldendaden’

Nederland heeft in de jaren vijftig meegedaan aan het decimeren van de walvisstand. Om zeker te zijn van grondstof voor goedkope margarine.

Thuiskomst van de Willem Barendsz (boven). Aan boord poseerde de bemanning bij een foetus uit een geslachte walvis. Foto’s uit besproken boek

Nederland is een van de belangrijkste schuldigen aan de decimering van de walvissenpopulaties in de jaren zestig. Dat zegt een vroegere directeur van het Brits-Noorse bedrijf Salvesen in De Laatste Traan, een vandaag verschenen sociaal-economische studie over de Nederlandse naoorlogse walvisvaart. Het boek is geschreven door Jaap R. Bruijn, emeritus hoogleraar maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden, en Joost Schokkenbroek, hoofdconservator wetenschapsprogramma’s van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum.

„De Britten en Noren beschouwden Nederland weliswaar als een lastige en veeleisende indringer in de wereld van de naoorlogse walvisvangst, maar die oud-directeur zou best eens gelijk kunnen hebben,” concludeert Joost Schokkenbroek die is gepromoveerd op de negentiende-eeuwse Nederlandse walvisvaart. „Nederland heeft lang lagere vangstquota tegengehouden.”

Meteen na de Tweede Wereldoorlog, toen levensmiddelen nog op rantsoen waren, maakten zowel in Amsterdam als Rotterdam zakenmensen uit de scheepvaart en scheepsindustrie plannen voor de Antarctische walvisvaart; walvistraan was namelijk een goedkope grondstof voor margarine.

De Nederlandse regering gaf de voorkeur aan de Amsterdamse plannen. Schokkenbroek: „De Rotterdammers hadden een betere infrastructuur, maar vroegen de regering om directe financiële steun. De Amsterdammers wilden de walvisvaart vooral met particulier geld bekostigen. Ze schatten dat ze 4 miljoen gulden nodig zouden hebben.”

De Nederlandse Handel Maatschappij en de Twentsche Bank staken er ieder 1,5 miljoen gulden in. De Amsterdamse cargadoors- en stukadoorsfirma Vinke & Co zegde ook een flink bedrag toe, mits het bedrijf de directie kreeg over de op te richten Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart (NMV).

Met steun van minister Lieftinck van Financiën werd een groot schip gekocht waarop de gevangen walvissen meteen konden worden verwerkt. Het kreeg de naam Willem Barendsz. Ook werden acht kleinere schepen aangeschaft die als jagers de walvissen moesten schieten.

De eerste expeditie vertrok op 27 oktober 1946 richting Zuidpool. Zeven maanden later werden de Willem Barendsz en haar bemanning weer als helden binnengehaald. De film Walvis in Zicht, in opdracht van de NMV door Polygoon-Profilti gemaakt, en een boek van Jaap Kolkman van de afdeling voorlichting van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening versterkten de heldenstatus.

Eind 1947 verstoorde scheepsarts A. Melchior het feest met een eigen boek. Aan boord van de Willem Barendsz heerste een totaal gebrek aan hygiëne, schreef Melchior, en met name bemanningsleden uit Noorwegen en de Faroër waren vaak stomdronken geweest.

De band tussen de NMV en de Nederlandse staat werd in 1951 nog hechter door de afsluiting van een tienjarig garantiecontract dat de NMV een goede prijs voor walvistraan garandeerde. Schokkenbroek: „Het was de tijd van de Korea Oorlog. Met de Hongerwinter nog in herinnering wilde de regering de aanvoer van traan zeker stellen.”

Het contract zorgde ervoor dat Nederland zich star opstelde in de International Whaling Commission (IWC) en lange tijd lagere vangstquota tegenhield. Nederland beriep zich daarbij op onderzoek van de Nederlandse bioloog E.J. Slijper van de Universiteit van Amsterdam, die stelde dat de walvispopulaties door de intensieve vangst niet kleiner waren geworden.

Tussen 1959 en 1962 trok Nederland zich terug uit de IWC en hoefde het zich niet meer aan quota te houden. Ook toen ving het Nederlandse schip bij lange na niet zoveel walvis als Nederland ooit in de IWC had voorgesteld. In 1964 was het gedaan met de Nederlandse walvisvaart. Schokkenbroek: „Ook in de hoogtijdagen leverde de Nederlandse walvisvaart percentueel gezien minder op dan die van andere landen. Misschien hadden de Noren toch gelijk en waren de Nederlanders gewoon niet geschikt voor de walvisvaart.”

De Laatste Traan: Walburg Pers, 336 blz., € 29,95