We gaan nog veel van ze horen

Kwijnende boekwinkels en fuserende uitgevers ten spijt blijft Amerika een indrukwekkende hoeveelheid literaire topkwaliteit voortbrengen. Wie zijn die rijzende sterren? En wat schrijven ze?

Amy Waldman poses at an undisclosed location on April 1, 2011. Waldman is the author of "The Submission, " a novel centering around a September 11th memorial. Photographer: Pieter M. van Hattem/Farrar, Straus and Giroux Books via Bloomberg EDITOR'S NOTE: NO SALES. EDITORIAL USE ONLY. Via Bloomberg

Toen ik onlangs Richard Ford interviewde over zijn nieuwe roman Canada, zei hij iets over de jongste lichting Amerikaanse schrijvers dat me trof. ‘Ze zijn vooral zo verdomde goed. Hoe komen ze zo goed? Zo jong al zo goed...’ Hoewel mensen in het boekenbedrijf de vooruitzichten schetsen aan de hand van Cormack McCarthy’s post-apocalyptische roman The Road, weerspiegelt de Amerikaanse literatuur kwalitatief op geen enkele manier die economische malaise. Er blijven talentvolle schrijvers opstaan, en het Amerikaanse literaire discours is nog altijd levendig, zelfs als de kunstvorm daarin prematuur dood wordt verklaard.

Nu hou ik niet zo van discussies over ‘het failliet van de roman’ of ‘de weg voorwaarts voor de roman’ – iets waaraan Amerikaanse academici, maar ook schrijvers als Tom Wolfe en Jonathan Franzen zich graag bezondigen. De weg voorwaarts kan, getuige die discussies, tegelijk het totaalrealisme en het omarmen van kunstmatigheid omvatten, een activistische agenda of onderkoelde onthechting. In universitaire kringen bestaat bovendien de drang tot balkaniseren van genres en thema’s. Al die dogmatiek ontkent de eindeloze rijkdom van de kunstvorm, en vergeet dat een schrijver allereerst een agent is van niets anders dan zijn persoonlijke uitdrukkingsbehoefte.

Gelukkig is er de literatuur zelf, die het modieuze gebeuzel logenstraft. Zoals Levi Asher van Literary Kicks, het oudste nog lopende literaire blog ter wereld, schreef: ‘Elk werk dat je raakt, is een doorbraak, en een op zichzelf staande presentatie. Ik geloof niet in een ‘goede’ of ‘slechte’ tijd voor literatuur. Elke tijd is een slechte tijd voor literatuur. Het is het handvol fantastische schrijvers die elke tijd toch weer de moeite waard maakt.’

Wie zijn al die jonge (, nieuwe) schrijvers die de Amerikaanse literatuur nu al dragen of in de toekomst zullen moeten dragen?

Hybride fictie

Wat opvalt is dat veel van hen hoge en lage cultuur versmelten, goochelen met genres en culturele invloeden, en doordesemd zijn van film en internet. Het leidt tot de hybride fictie van Junot Díaz, Colson Whitehead, Teju Cole, Gary Shteyngart, Jennifer Egan en de al langer aan de weg timmerende Jonathan Lethem en Michael Chabon. Ook een aantal (underground)schrijvers waar Asher me op wees – Vanessa Veselka, Jürgen Fauth, Marcy Dermansky, Blake Butler – zou je eronder kunnen scharen. Deborah Treisman, die voor het weekblad The New Yorker in 2010 een overzicht maakte van de twintig beste schrijvers onder de veertig, sprak over de brandende ambitie die uit het werk van jonge Amerikaanse schrijvers sprak. Hoewel sommigen in haar selectie geworteld waren in oudere tradities, kenmerkten de meesten zich door hun inhoudelijke en stilistische acrobatiek. ‘In een cultuur die door woorden, beeld en geluid overspoeld wordt,’ schreef Treisman, ‘moeten ze vechten om onze aandacht te vangen en vast te houden.’ Dat is een kracht en tegelijk een gevaar – de valkuil van razzle dazzle, van effectbejag zonder toegevoegde waarde, ligt op de loer.

Maar dan lees je het nog rauwe talent Justin Torres, die in zijn minimalistische We the Animals een schrijnende inkijk in een jeugd aan de zelfkant gaf, en je weet: ook de bedachtzame stemmen zullen gehoord woorden.

Bijzonder opvallend is het grote aantal vrouwelijke schrijvers dat deze eeuw is opgestaan: Jhumpa Lahiri (Interpreter of Maladies, The Namesake), eerder genoemde Egan (A Visit from the Goon Squad), Téa Obreht (The Tiger’s Wife), Jesmyn Ward (Salvage The Bones), Amy Waldham (The Submission) en Ann Patchett (Bel Canto, State of Wonder). In Strand, de onafhankelijke boekwinkel vlakbij Union Square in New York, kocht ik op goed geluk Battleborn, een verhalencollectie van de jonge schrijfster Claire Vaye Watkins. Op basis van een gevoel, opgeroepen door het omslag, de locatie van de verhalen (de woestenij van de Midwest) en een openingszin: ‘The day my mom checked out, Razor Blade Baby moved in.’ Ook van haar gaan we nog veel horen. En ik vergeet hier meer namen dan ik noem.

Amerika is en blijft een land van immigranten, getuige de vele goede romans over de ervaring van culturele buitenstaanders. Julie Otsuka’s The Buddha in the Attic (2011) is een bijna impressionistische schets van een hele generatie Japanse postorder-bruiden; in The Namesake (2003) onderzoekt Jhumpa Lahiri de culturele spagaat van een Indiaas koppel dat in Massachusetts belandt. Junot Díaz laat ons in het aanstekelijke The Brief Wondrous Life of Oscar Wao (2008) kennismaken met een dubbele buitenstaander: een zwaarlijvige, van sciencefiction bezeten Dominicaanse jongen in Paterson, New Jersey. Teju Cole’s verrassende Open City (2011) gaat over een Nigeriaanse immigrant, die al wandelend hele werelden blootlegt: zijn innerlijk leven, de stad New York, de uitgestrekte wereld daarbuiten.

Eerder dit jaar was er veel ophef over het niet toekennen van de Pulitzer Prize voor fictie, iets wat sinds 1977 niet meer gebeurd was. In de blogosfeer werd het aangemerkt als een teken dat een creatief failliet de Amerikaanse literatuur bedreigde. Feitelijk was er niet zoveel aan de hand: het Pulitzer-bestuur kon niet tot overeenstemming komen, en dan kan er volgens de regels van de prijs geen prijs toegekend worden. Literatuurvolgers als Ron Charles, boekenchef van The Washington Post en David Ulin van The Los Angeles Times merkten fijntjes op dat voor de grote literaire prijzen – de Pulitzer, de National Book Award, de PEN/Faulkner, de National Book Critics Circle Award en The Times’ Book Prizes – liefst 19 verschillende boeken waren genomineerd. Een gebrek aan uitschieters? Of een teken dat Amerika een indrukwekkende hoeveelheid topkwaliteit blijft voortbrengen? Dat laatste, lijkt me.

Die aanwas laat zich verklaren. Het is (heel banaal) deels een kwestie van kwantiteit: er zijn in dat gigantische land simpelweg meer schrijvers die met elkaar de concurrentie aan moeten gaan, en die bovendien bijgestaan worden door een groter leger topredacteuren. Er is het gewicht van het verleden: ze staan op de schouders van reuzen.

Talent

Een groot verschil met Nederland: aan vrijwel elke universiteit bestaat een rijke traditie in leergangen creative writing – workshops waar je wellicht geen talent kan opdoen, maar waar de schrijver in spe wel gestimuleerd en uitgedaagd wordt. Amerika kent een lange en rijke short story-traditie, die zich ook vandaag de dag nog laat gelden, bijvoorbeeld in kweekvijvers als The New Yorker, Esquire en The Atlantic Monthly.

De hoge kwaliteit van de beste Amerikaanse fictie is ook een logisch gevolg van de diversiteit van de Amerikaanse samenleving én het landschap, die het palet aan pregnante thema’s rijker maakt. (Een detail, maar niet onbelangrijk: de vanzelfsprekende aanwezigheid van vuurwapens, en daarmee de dood en een vat vol morele vraagstukken.) Amerika is een land van extremen en van drama: armoede, rijkdom, etnische diversiteit, oorlogen, misdaad, alles verslindende wereldsteden en een onafzienbare leegte.

Schrijvers kennen er een veel diversere achtergrond dan hun egalitaire Europese tegenhangers, wat zich onvermijdelijk naar inhoud vertaalt. Neem alleen al het fenomeen van de schrijvende oorlogsveteraan: Karl Marlantes (Matterhorn), Anthony Swofford (Jarhead), Thom Jones (The Pugilist at Rest) of Kevin Powers, die dit jaar is genomineerd voor een National Book Award met zijn Irak-roman The Yellow Birds. Waar blijven de romans over Srebrenica of Uruzgan?

Coca-Cola

Toen schrijver Nelson Algren ooit werd gevraagd wat er mis was met de Amerikaanse literatuur, zei hij dat het probleem van de Amerikaanse literatuur is, dat ze niet weet wíe ze wil zijn. ‘Ze is Henry Miller die met Lawrence Durrell correspondeert, en dan denkt dat ze Jack Kerouac is, die op een dieet van Coca-Cola op weg is naar nergens...’

Haaks op deze klacht staat de modernere klacht dat de Amerikaanse literatuur juist alleen maar de beperkte realiteit van blanke hipsters zou weerspiegelen. Wat voor latte vandaag te drinken? Maar de hipster vormt maar een fractie van het literaire landschap. Wat mij aantrekt in de Amerikaanse literatuur is de breedte en de diepte ervan. Ja, er is de niet te stelpen commerciële diarree, maar het taalgebied is zo groot, dat er altijd ruimte is voor kwaliteit, voor niches en experiment. Wat Algren een zwakte noemt, is juist een kracht. Het werk van Toni Morrison kan in de VS rustig bestaan naast dat van William Vollmann.

Toegegeven, uiteindelijk zal de teloorgang van de boekenbranche – met vertraging – wel degelijk een negatief effect kunnen sorteren. Minder potentiële schrijvers komen in aanraking met werk dat ze inspireert; vaker zal iemand kiezen voor een andere kunstvorm of carrière. Misschien dat het e-book – dit jaar naar verwachting goed voor 50 miljoen verkochte exemplaren in Amerika – lezen weer ‘hip’ zal maken.

De moordende concurrentie van andere (tijds)bestedingen zal blijven. Literatuur zal zich steeds meer verplaatsen naar internet, waar je nu al de cult of the amateur ziet ontstaan. Soms – denk aan de punkmuziek van jaren zeventig – is dat nodig en verfrissend. Op termijn is het geen duurzaam pad voor literaire ontwikkeling. Maar de jongste generatie schrijvers in ogenschouw nemend – een generatie waarbij het talent bijna uit de oren stroomt – zal het nog een tijd duren, voor we ons werkelijk zorgen moeten gaan maken.