Vijftien minuten beroemdheid in Zevenaar

Nederlandse literatuur

Thomas Rosenboom: De rode loper. Querido, 252 blz. €24,95. ***

„Narcisme is de ziekte van deze tijd, half Nederland lijdt aan een mateloos verlangen naar aandacht en bewondering, maar hoe krijg je die als je niks bijzonders kunt?” In deze retorische vraag ligt de strekking besloten van de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, De rode loper. Niemand kan zich neerleggen bij zijn eigen middelmatigheid, iedereen stort zich op talentenshows van talentlozen.

Het is een bekende klacht die Rosenboom hier op een soms geestige manier aan de orde stelt, met een wrange ondertoon wegens de heersende minachting voor mensen die zichzelf blijven en de schijnwerpers of de ingebeelde roem niet nodig hebben. In romanvorm geeft Rosenboom zich hier ook over aan zelfbeklag, dat niet larmoyant wordt omdat er ook zelfrelativering en zelfspot in zijn verhaal zit.

Dat verhaal begint in 1973 op het Arnhems lyceum, waar hoofdpersoon Lou Baljon zojuist eindexamen heeft gedaan. Anders dan de meeste van zijn medescholieren wil hij niet studeren. Samen met zijn klasgenoot Eddie van de Beek wil hij de bijstand in – dat is hun idee van vrijheid. Lou wil zich volledig kunnen wijden aan zijn werk als roadie van de Arnhemse undergroundband Shout, Eddie wil zijn uitkering gebruiken om journalistieke ervaring op te doen in zijn woonplaats Zevenaar.

Na tien jaar en veel mislukkingen (het hoogste wat de band Shout ooit bereikt is een optreden in Musis Sacrum in het voorprogramma van Golden Earring) haalt Eddie, inmiddels regioverslaggever van dagblad De Gelderlander) zijn oude klasgenoot Lou over om zich ook in Zevenaar te vestigen. Daar vormen ze een duo dat sterk doet denken aan een schepping van Van Kooten en de Bie. Eddie lijkt op het typetje van Van Kooten, Koos Koets, de kleine goedgebekte slimmerik, Lou op het personage van De Bie, Robbie, de dommekracht die ook nog eens een rare motoriek heeft en mank loopt. Het verschil tussen Eddie en Lou is dat de eerste zich al jong heeft neergelegd bij zijn middelmatigheid. Op zijn dertiende vroeg hij een gitaar en kreeg een ukelele, daarna kon het nooit meer iets met hem worden. Lou blijft een onaangepaste undergroundfiguur zonder ambities. Hij hoeft niet te schitteren, het enige waar hij naar verlangt is vriendschap, intimiteit en een klein beetje liefde.

Als Eddie voor Lou een baantje als bruiloftsfotograaf heeft geritseld, paraderen op de rode loper de Zevenaarse bruidsparen die per limousine worden aangevoerd en zich voor zijn camera gedragen als filmsterren. Eddie overtuigt hem ervan dat deze „camp een intellectuele vorm is van underground”. In navolging van Andy Warhol ontdekt Lou vervolgens een gat in de markt: exploitatie van het narcisme. In een gekraakt bioscoopje begint hij een ‘rode loperprogramma’: iedereen kan zich tegen betaling per limousine naar de bioscoop laten vervoeren om zich op de rode loper een beroemdheid te wanen die wordt gefilmd en geïnterviewd door nepjournalisten.

In de bioscoop kunnen de deelnemers vervolgens zichzelf bewonderen op het witte doek. Het wordt een doorslaand succes. Lou zelf walgt van al die nep. Maar hoe onmogelijk zijn verlangen naar echtheid is, blijkt als hij verliefd wordt op een in zichzelf opgesloten autistisch aandoende vrouw die alleen maar tot leven komt op de rode loper.

Het ligt er allemaal nogal dik boven op: Rosenboom heeft weliswaar voor zijn doen een korte roman geschreven, maar dat neemt niet weg dat hij zijn bezwaren tegen de geest van onze tijd soms tot vervelens toe uitlegt. Niettemin weet hij van Lou een ontroerende, oprecht naar intimiteit snakkende figuur te maken. De mooiste momenten zijn als hij in zijn eentje tokkelt op zijn witte basgitaar die hij in zijn armen koestert als de vrouw naar wie hij zo verlangt. Zijn gelukzaligste momenten beleeft hij als hij met Eddie Blackbird van de Beatles ten gehore brengt.

Hoe dichter Thomas Rosenboom - die furore maakte met zijn historische romans – in zijn fictie onze huidige tijd nadert, hoe duidelijker hij zijn eigen persoonlijkheid tot inzet van zijn schrijven maakt. De romanfiguren Lou en Eddie vertonen trekken van een parodie van de schrijver op zichzelf. Zo is Lou een contactgestoorde zonderling die iedere dag chili con carne eet. Thomas Rosenboom heeft dat in 2003 over zichzelf verteld en is daar vervolgens door columnisten enorm mee gepest.

Maar Rosenboom doet meer dan de draak steken met een uit zijn tijd gevallen provinciale freak, hij kiest er ook partij voor: Lou houdt vast aan zijn idee van vrijheid, hij is de enige in de roman die geen rol speelt en zichzelf trouw is gebleven. Hij lijkt daarin op een titaantje van Nescio en op de gehandicapte Fransje uit Tommy Wieringa’s Joe Speedboot. Misschien blijft hij altijd alleen, zonder geliefde of vrienden, maar hij heeft genoeg fantasie om de leegte in en om hem heen op te vullen. Een simpele boodschap van een enigszins pamflettistisch verhaal, dat in al zijn eenvoud toch ontroering weet op te wekken.