Van Reys vriendenrepubliek

Redacteur Joep Dohmen schreef in de jaren 90 ‘De Vriendenrepubliek’, over corruptie in Limburg. Hoe kon het daar nu weer misgaan?

Jos van Rey (links) met naast hem de ook vertrokken wethouder Raja Moussaoui, voorafgaand aan carnaval in 2011. Foto Chris Keulen

Jos van Rey was de man die in de jaren tachtig en negentig de almacht van het CDA in Limburg bekritiseerde. CDA en voorganger KVP hadden het er al honderd jaar voor het zeggen. Het was een partij die haar macht misbruikte en bevriende ondernemers aan opdrachten hielp, terwijl bestuurders er persoonlijk beter van werden.

Juist vanwege zijn verzet hiertegen kreeg Jos van Rey, toen voorzitter van de VVD-fractie in Provinciale Staten, samen met SP-collega Peter van Zutphen in 1996 het eerste exemplaar van het boek De Vriendenrepubliek, over de verwevenheid van openbaar bestuur en bedrijfsleven in Limburg.

Nu wordt Jos van Rey zelf verdacht van corruptie, en is hij en passant ontmaskerd als ritselaar die een partijgenoot aan een baantje hielp.

Het boek verscheen nadat de ene na de andere corruptieaffaire in Limburg in het nieuws kwam. Het bevestigde het beeld van bestuurlijk gesjoemel. Limburg ergerde zich aan krantenkoppen als ‘Corruptie tussen de vlaaien’, ‘Besturen met een zachte G’ en ‘Palermo aan de Maas’.

Met de val van Jos van Rey, bijna twintig jaar later, wordt dat beeld herbevestigd. Maar dit keer met sjoemelende VVD’ers. Geen CDA’ers. Wat zegt dat over de bestuurscultuur in de zuidelijkste provincie?

Van 1992 tot 1994 deed justitie in Limburg een voor Nederlandse begrippen opzienbarend corruptieonderzoek. Negen politici en ambtenaren werden veroordeeld. Veel meer ambtsdragers en tientallen bedrijven raakten in opspraak, maar ontsprongen de dans.

De onderzoeken begonnen na publicaties in Dagblad De Limburger over de verstrengelingen tussen politiek en bouwwereld. Het mondde uit in honderden artikelen. De teneur was dat vooral Zuid-Limburg ver afgegleden was van de landelijke normen.

De alleenheerschappij van één partij – het CDA – was een belangrijke oorzaak van het systeem van ‘voor wat hoort wat’, beaamde Jan Reijntjes, destijds hoogleraar strafrecht aan de Open Universiteit in Heerlen en oud-officier van justitie in Maastricht, in het boek De Vriendenrepubliek. Volgens hem is voor de mate waarin corruptie voorkomt een aantal factoren bepalend: „Mijn conclusie is dat in Limburg meer van die factoren voorhanden zijn: de hegemonie van één partij, de grensligging, een verminderde binding met de Haagse bestuurscentra. En natuurlijk de Limburgse bestuurscultuur met zijn vriendjespolitiek.” Dat bracht de hoogleraar tot de conclusie: „De verschillende factoren geven aanleiding tot het vermoeden dat corruptie in Limburg sterker is dan in de rest van Nederland.”

Iedereen wist dat het gebeurde, maar door de sterke eenpartijcultuur werden bestuurders er niet publiekelijk op aangesproken. Ook het katholieke geloof was van invloed op het doen en laten van de Limburgers. Zonden waren er om vergeven te worden. De oprichter van het CDA, Piet Steenkamp, merkte ooit in een interview op dat het geweten van katholieken minder goed is gevormd omdat ze de biechtstoel hebben om zich te reinigen .

Zoals andere partijen die tientallen jaren onafgebroken aan de macht zijn, kreeg het CDA last van nepotisme en inteelt. In Limburg was bovendien de afstand tussen kiezer en gekozene klein. Men stemde op iemand in de verwachting dat deze iets terug zou doen. Voor de streek, het dorp, de vereniging.

De persoonlijke manier van politiek bedrijven vertaalde zich in vele voorkeursstemmen. Het cliëntelisme – politieke klantenbinding – ontwikkelde zich destijds vooral binnen het CDA, juist omdat die partij alle macht had en iets kon regelen.

Alles greep in elkaar, in het excentrisch gelegen Limburg, waarin men op elkaar aangewezen was. Met een diep geworteld groepsgevoel. Een republiek van vrienden. Iedereen kende iedereen. Van de voetbalvereniging en het schuttersfeest tot de ledenvergadering van het CDA. Een gebied met een intensief informeel circuit. Waar regels buigzamer waren. Daar strooide Den Haag tussen 1965 en 1990 een paar miljard euro uit als steun, na de sluiting van de mijnen. Het gaf de corruptie een impuls. De verwevenheid tussen politiek en bedrijfsleven was vanzelfsprekend, en hoe groter de zakelijke belangen, hoe groter de vriendendiensten.

Al in de jaren negentig was duidelijk dat het niet een exclusief CDA-probleem was. Toen PvdA en VVD bestuurders mochten leveren in Limburg, bleek hoe weinig partijgebonden corruptie is. Van de vier wethouders, drie burgemeesters en twee ambtenaren die toen veroordeeld werden, waren er vijf van het CDA, twee van de VVD en twee van de PvdA.

De veroordeelde ex-burgemeester Henk Riem (PvdA) is wel opgevoerd als bewijs dat het niet aan de Limburgers lag. Riem kwam uit Rotterdam. Anders bekeken, liet de ontmaskering van Riem – uiteindelijk vrijgesproken van corruptie maar veroordeeld wegens valsheid in geschrifte – zien hoe allesomvattend en meeslepend het Limburgse bestuursklimaat was. Als politicus of ambtenaar kon je je er maar moeilijk aan onttrekken. Je werd meegezogen. De grootste risico’s lagen binnen de partij die het machtigst was.

Dat is meteen het verhaal van Jos van Rey. Hij doorbrak de CDA-almacht in Roermond, en vestigde 38 jaar lang zijn eigen vriendenrepubliek. Een republiek die, ook door het economische succes, weinig kritisch was. Enkele raadsleden geven nu toe dat hun controle onvoldoende was.

Van Rey bediende zich van dezelfde technieken als het CDA. Die financierde verkiezingscampagnes via een fonds. Onder het motto ‘voor wat hoort wat’ stopten bedrijven, die opdrachten kregen van CDA’ers, daar geld in. Van Rey liet zijn campagne regelen door een BV op naam van zijn kinderen, waaraan bedrijven met wie hij als wethouder van doen had geld betaalden.

De macher van Roermond laat zijn vrienden verweesd achter. Zo verschenen ze in beeld, tot tranen toe geroerd. Ze laten hem niet vallen (de VVD stapte uit de coalitie) en zoeken de schuld niet bij de bestuurscultuur. Ook daarin herhaalt de geschiedenis zich. In de jaren negentig reageerden ambtenaren en politici die betrapt werden niet anders. Er was sprake van een grote mate van zelfrechtvaardiging. „Iedereen deed het”, „het was een vriendendienst”. Ook bij andere, niet-veroordeelde bestuurders en ondernemers bestond weinig begrip voor „het ophangen van iemand voor een kleinigheid”.

Na de jaren negentig bleef integriteit een probleem in Limburg. Het leidde tot het vertrek van een gedeputeerde (2009), ambtenaren uit Heerlen, Maastricht, Stein, Nuth, Kerkrade en Schinnen (2007, 2010, 2011), drie wethouders uit Vaals en Echt (2009). Het is maar een greep.

Het laat zien dat het geen CDA- of VVD-probleem is, maar een probleem van ongecontroleerde macht en invloed. Dat geldt natuurlijk voor meer plekken in het land. Zie de affaire-Hooijmaijers. Wat Limburg echter corruptiegevoeliger maakt, zijn de andere omgangsvormen, het cliëntelisme en – zoals oud-hoogleraar Reijntjes het noemde – „de bestuurscultuur met zijn vriendjespolitiek”.