Schrijvers, uitgevers en lezers, verenigt u! ‘De echte revolutie was niet het e-book maar de pdf’

Is Amerika nog altijd leidend als het gaat om grensverleggende literatuur en uitgeefcultuur? Het antwoord luidt ‘ja’, zoals blijkt uit een rondgang door literair New York. Maar alles wordt wel digitaal.

‘De uitgeverij was toen stervende, zoals ze dat nu ook is,’ zegt Gary Fisketjon. De editor at large van de grote New-Yorkse uitgeverij Knopf draait zijn stoel een beetje zodat hij zijn voeten op de rand van zijn bureau kan leggen en het bezoek zijn cowboylaarzen ziet.

Toen, dat is twintig, dertig jaar geleden. Fisketjon schreef uitgeefgeschiedenis met zijn Vintage Contemporaries – het werk van jonge schrijvers als Jay McInerney en Bret Easton Ellis gaf hij niet eerst als chique hardback uit, maar meteen als paperback. Waarna ze een kassucces werden en de club rondom Fisketjon het centrum werd van een literaire opleving. „Het grote verschil tussen ons en de rest, was dat destijds jarenlang niemand echt zijn best deed voor de boeken, er werd liefdeloos en zonder inspiratie uitgegeven. Wij hadden de ideeën. Ideeën leveren altijd succes op.”

Succes had Fisketjon bij de vleet. Hij geldt als de grootste en meest capabele redacteur van zijn generatie: de man die de brat pack introduceerde, die de redacteur was van Raymond Carver en Patricia Highsmith, die Donna Tartt terzijde stond bij het maken van haar grote hit The secret history – hij schreef het zo ongeveer voor haar, zo wil de mythe –, die Richard Ford naar zijn grote successen loodste en die de Amerikaanse redacteur was van de schrijvers die de laatste twintig jaar de Britse literatuur domineerden: Martin Amis, Ian McEwan en Julian Barnes.

Van die laatste redigeerde hij ook de succesroman The Sense of an Ending, waar Barnes vorig jaar de Booker Prize mee won. „Julian is zo’n grote auteur dat uitgevers niets meer aan zijn teksten veranderen. Ze durven geen line-to-line editing meer te doen, zeker in Engeland.’’ Fisketjon ging wél regel voor regel door het manuscript heen, als altijd met groene pen. Daarna geeft hij de auteur het laatste woord.

Ooit redigeerde Fisketjon een boek van A.M. Homes. „There was a lot of ink on the pages.” Van Homes kreeg hij een korte mededeling terug: ze accepteerde al zijn wijzigingen. „Dat is het slechtst denkbare antwoord!” roept de redacteur. „Meteen heb ik tegen mijn baas gezegd dat ik nooit meer met die vrouw wilde werken!” Hij zegt: „Ik kan niet uit het niets een goed boek maken, ik kan alleen een goed boek beter maken.”

In de uitgeefwereld van Fisketjon draait het uiteindelijk om kwaliteit en originaliteit. Dat spreekt uit de volgestouwde boekenkasten met tientallen aandenkens aan schrijvers (en jachtpartijen) in zijn kamer bij Knopf. En de overtuiging dat er met het langdurig investeren in kwaliteit altijd geld te verdienen is. Dat line to line editing zich uiteindelijk altijd terugbetaalt. Zie Barnes. Zie Tartt. Zie McEwan.

Maar het kantoortje van Fisketjon beslaat nog maar een paar vierkante meter in de toren van Random House op Manhattan. In de grote zaal zitten de andere medewerkers in cubes van wit plastic als batterijkippen op elkaar gepakt – om plofboeken te maken, zou je denken. En als je twee dagen later een man uit de top van Random House in een bar ontmoet, vraagt die verschrikt: „Fisketjon? Je praat toch niet alleen met Fisketjon?”

Want de mooie eigenzinnige winkel van Fisketjon belandt steeds meer in de marge van de uitgeverij. Ook in de Verenigde Staten gaat de economische crisis hand in hand met een boekencrisis. Het faillissement van Borders vorig jaar beroofde het land in één klap van een van zijn grootste boekhandelsketens. Het papieren boek verliest terrein ten opzichte van het digitale boek en internationale reuzen als Penguin en Random House fuseren.

Het geld stroomt niet meer langs literaire wegen binnen. Dit jaar scoorde Random House-imprint Doubleday met E.L. James’ trilogie Fifty Shades of Grey. Dat Doubleday zijn geld met zulke erbarmelijke boeken moet verdienen, maakt Fisketjon ‘woest’, zegt hij. „Maar ja, het is het geld waar ik weer een paar debuten van kan betalen.”

De doorbraak van het e-book in de Verenigde Staten beziet Fisketjon met zorg: „Elektronische boeken zijn een stuk goedkoper en genereren dus minder omzet. Dat scheelt de uitgeverij inkomsten – en de auteurs ook. Die moeten steeds meer boeken verkopen om een redelijk inkomen te verwerven.” En de meeste schrijvers verkopen juist minder. Net als in Nederland is de markt voor de literaire middenmoters in crisis. „Wie vroeger altijd wel een paar duizend exemplaren verkocht, komt nu soms niet verder dan een paar honderd. Dan is het moeilijk om gemotiveerd te blijven – nog los van het feit dat schrijvers ook huur moeten betalen.”

Tot een geringere aanwas heeft die onzekerheid nog niet geleid, zegt Fisketjon. De brievenbus zit nog steeds vol manuscripten: „Mensen willen nog steeds schrijver worden.” Dat blijkt de volgende avond elders in Manhattan. Daar hebben zich twaalf studenten – twintigers, even uiteenlopend in afkomst als in gewichtsklasse – verzameld in een visueel weinig tot de verbeelding sprekend bovenzaaltje van Hunter College, onderdeel van de City University of New York. Ze krijgen hun wekelijkse schrijfcollege van tweevoudig Booker Prize winnaar Peter Carey. De twee jaar durende creative writing-opleiding van Hunter College is niet een van de duurste van de VS, wel een van de beste. Jaarlijks worden er zes aspirant-auteurs tot het programma toegelaten, gekozen uit een groep van 400 aanmeldingen.

De strenge selectie is aan hun teksten te merken. De twee verhalen van studenten die in de les worden besproken zijn niet mis: één kort verhaal van Jane Lindsay Breakell (onthoud die naam!) is een prachtig relaas over een oude Turk, een dode vriend en diens zoon – waarvan de schrijfster zelf nog amper lijkt te beseffen hoeveel betekenis ze erin heeft gestopt. Zoals een medestudente zegt: „Ik had het idee dat ik een verhaal in The New Yorker zat te lezen. Dan zit ik er aan het eind ook altijd een beetje versuft bij: het was heel goed, maar ik geloof niet dat ik het helemaal heb begrepen.”

En het verhaal van Mariette Kalinowski, een ex-marinier die bij elke significante gebeurtenis in haar leven een nieuwe tattoo laat zetten, begint oorspronkelijker dan het gros van de gepubliceerde Nederlandse romans. Even opmerkelijk is de discussie naar aanleiding van de stukken. Je ziet eraan af dat de meeste studenten al een handvol cursussen creative writing achter de kiezen hebben – en dat een aantal op een lager niveau aan Hunter College schrijfles geeft. In recordtempo buitelen de literaire adviezen van de studenten over elkaar heen, allemaal even literair en even tegenstrijdig. De proloog moet worden uitgebreid, nee, de proloog moet er juist af. De een wil meer couleur locale, de ander juist niet – bij de verwijzing naar The Dead van James Joyce klinkt algemeen instemmend gemompel. Waarna zich een lang gesprek ontspint over de vraag of je een soldaat die naar Irak wordt uitgezonden de naam ‘Justice’ mag geven. Docent Peter Carey is streng: „Ik zou er heel goed over nadenken; die naam sleept heel veel met zich mee.”

Een uur later zegt Kalinowski in het café dat ze toch geen afstand wil nemen van de naam van haar hoofdfiguur. „Voor mij is Justice een volkomen logische naam.” Op de grond staat een uitpuilende plastic tas met de becommentarieerde versie van haar verhaal (‘A lot of ink on the pages,’ zou Fisketjon zeggen). Het blijkt deel uit te maken van een romanproject dat nu al honderden pagina’s omvat. „De grote aantrekkingskracht van deze opleiding is de gezamenlijkheid,” zegt ze. „Je hebt het elke dag met andere schrijvers over je eigen werk en dat van hen. Het contrast met ergens in je eentje zitten worstelen is enorm.” Dat is eigenlijk belangrijker dan het toewerken naar een publicatie, valt een ander haar bij. „We hebben het meeste aan elkaars feedback.”

In het literaire systeem waarin de stal van Fisketjon de absolute top vertegenwoordigt, zijn opleidingen als die aan Hunter College de basis. Jonge Amerikaanse auteurs komen vaak niet tot wasdom op een zolderkamer, maar in een collegezaal. Dat is ook wel nodig, zeggen ze: je hebt een goede opleiding op je cv nodig om een literair agent voor je werk te interesseren en pas via die agent heb je toegang tot een uitgever. En pas wanneer je werk dan door de line-to-line-editing van de redacteur heen is, lonkt daar de felbegeerde plaats in de boekwinkel – waarbij in het volledig gecontroleerde Amerikaanse systeem er voor een opvallende plaats in een grote boekwinkel ook nog moet worden betaald.

De studenten realiseren zich dat tegen de tijd dat zij de echte literaire arena betreden, die er hoogstwaarschijnlijk heel anders uitziet. Met de digitalisering wordt het veel eenvoudiger om allerlei stappen in die zo precies gecontroleerde keten over te slaan. To be published is niet meer de enige mogelijkheid: to publish is het alternatief. Je kunt veel meer zelf doen. „Het is denkbaar dat als ik straks een roman af heb, die helemaal niet meer op papier verschijnt,” zegt een van de Hunter-studenten. „Een vreemd idee vind ik dat wel, maar aan de andere kant: waar het mij om gaat is dat ik word gelezen.”

Precies dat is een van de leidende gedachten van uitgever Richard Nash, jarenlang werkzaam bij de onafhankelijke Soft Skull Press. Hij trok de laatste twee jaar veel aandacht met zijn uitgeefbedrijf Red Lemonade. De veertiger Nash opereert niet vanuit een kantoorkolos op Manhattan, maar in een hoekje van Brooklyn, waar hij afspreekt in een coffee bar tussen de studenten en jonge ouders met kinderwagens. Voorafgaand aan het gesprek heeft hij een reeks linkjes gestuurd naar stukken en filmpjes waarin hij zijn ideeën over de toekomst van de uitgeverij uiteenzet. „Dan kunnen we nu gewoon hardop denken,” zegt hij. Tijdens dat hardop denken doet hij af en toe zijn ogen dicht.

„Als ik vroeger een jonge schrijver met ambitie sprak”, zegt Nash, „dan gaf ik altijd hetzelfde advies: ‘Lees veel, schrijf veel, probeer werk gepubliceerd te krijgen in een tijdschrift, ga naar lezingen en literaire avonden, volg een cursus, word vrienden met schrijvers en praat over literatuur. Leid een literair leven!’ Dat was de weg om uiteindelijk een boek gepubliceerd te krijgen.”

Het was het juiste advies, maar om de verkeerde redenen, zegt Nash nu. „Het grote misverstand van de afgelopen decennia is de gedachte dat dat boek op een plank het einddoel zou moeten zijn. Maar schrijvers willen helemaal niet op een boekenplank staan verstoffen. They want to be loved. En dus zeg ik ze nog steeds dat ze naar literaire avonden moeten gaan en met andere schrijvers moeten praten. Alleen niet meer als middel, maar als doel op zich – omdat je van dat leven gelukkig wordt.”

De literaire uitgeverij wordt gegijzeld door zijn eigen productieketen, vindt Nash. „We dachten dat uitgeven een synoniem was voor boeken maken, maar dat is niet zo. De afgelopen decennia heeft de verkoop van literatuur op papier een enorme vlucht genomen. Er zijn prachtige dingen gemaakt en er is veel geld verdiend. Maar daardoor zijn we ook verblind geraakt – en denkt iedereen alleen maar aan die reeks stappen die nodig is om een boek bij een grote, literaire uitgeverij te krijgen. Dat is ook logisch, de geschiedenis wordt geschreven door de winnaars. Maar het idee is achterhaald. Iedereen kan zelf een boek maken.”

Door de opkomst van het e-book, is de logische invulling...., maar Nash maakt een afwerend gebaar. „Nee, nee. De cruciale ontwikkeling was niet het e-book, de e-reader of amazon.com – de echte revolutie was de pdf. Desktop publishing en kinko’s [een Amerikaanse keten copyshops], maakten het ineens voor iedereen mogelijk om zelf een boek van behoorlijke ambachtelijke kwaliteit te produceren. Twintig jaar geleden stond ik bij kinko’s mijn eerste boekjes in elkaar te plakken, tussen tientallen anderen. Dáár gebeurde het.”

Nash wijst op de mensen die achter hem op hun koffie staan te wachten: „Je wéét niet wat er geschreven wordt door de mensen die daar op hun koffie staan te wachten – en niet hoe ze hun werk misschien zelf al weten te publiceren.” Het gros van die boeken is toch rotzooi? „Natuurlijk is er veel flauwekul bij. Maar er is nu eenmaal eindeloos veel middelmaat in de wereld. De fout die we vaak maken is dat als onze toegang tot die middelmaat wordt verbeterd – door tv, internet of self-publishing – we het medium de schuld geven.”

De uitgeverij moet altijd avant-gardistisch zijn. Dat betekent volgens Nash een afscheid van oude structuren. Een uitgeverij moet een platform worden, een plaats waar mensen hun werk kwijt kunnen en erover kunnen debatteren. Hijzelf richtte daarvoor Cursor op, een verzamelplaats voor onafhankelijke uitgeverijen, waar de oordelen van uitgevers en redacteuren samen moeten komen met the wisdom of the crowd: wat andere lezers van de geposte teksten vinden. Nashs eigen imprint Red Lemonade is de pilot: schrijvers kregen de mogelijkheid om hun werk online bij Red Lemonade te publiceren en erover met lezers en andere auteurs te discussiëren – wat vanzelf een selectieproces genereert. En Nash haalt af en toe iets uit de stapel voor een reguliere uitgave: als e-book, als gewone paperback of juist als bijzonder vormgegeven uitgave. Een van de problemen van de papieren boekverkoop is volgens Nash ook dat goedkope uitgaven te weinig aan de tekst toevoegen, hij heeft het over de shittification van het boek als object.

„Uiteindelijk willen mensen best voor iets moois betalen, óók als teksten gratis beschikbaar zijn.” Een veel belangrijker vraag voor de lezer is of dit boek mijn tijd waard is. „Dat kun je bij Red Lemonade online en gratis uitproberen. En ik denk dat iemand die op de site feedback kan geven op een bepaald boek ook eerder geneigd is er geld aan uit te geven.” Nash haalde schrijfster Lynne Tillman over om haar verhalenbundel Someday this will be Funny bij Red Lemonade te publiceren en een aantal van haar eerdere boeken online beschikbaar te stellen. Het leverde Nash veel publiciteit op, maar vooralsnog geen investeerder. ‘Red Lemonade werkt, maar voorlopig is dat een labour of love. Maar literatuur is nu eenmaal vaak een kwestie van liefdewerk.’’

Nash’ gedachte dat een gemeenschap van schrijvers en lezers vooraf gaat aan de eventuele boekverkoop, ligt ook precies ten grondslag aan het nieuwe bedrijf van voormalig literair agent Joe Regal. Die lanceerde deze maand Zola Books, een website die wordt gefinancierd met de verkoop van (digitale) boeken, maar die tegelijk een leesclub en discussieplatform wil zijn. Zoals het een start-up betaamt, zitten de twintig medewerkers van het bedrijf op een kale planken vloer, achter ramen met ongeschilderde kozijnen – op Manhattan, maar tegenover een One dollar shop. Voor het bezoek staan wat versleten kantoorstoelen klaar. Alleen de laptops zijn helemaal up to date. Dat moet ook wel, want Zola Books doet alleen in digitale boeken – zij het in een format dat op alle e-readers te lezen is.

Maar het is niet de technologie die het nieuwe bedrijf een plaats moet laten veroveren, zegt Regal. Dat is het bouwen aan een literaire gemeenschap. „In de klassieke boekwinkel kwamen mensen niet alleen om boeken te kopen, maar ook om over boeken te praten en om advies te krijgen. Dat willen wij bij elkaar brengen: zowel de kennis van de boekwinkels als die van lezers, uitgevers en recensenten.”

Op de site van Zola is een reeks recensies te lezen, maar kunnen ook lezers – en soms de schrijvers – met elkaar in gesprek. Bovendien kunnen boekhandelaren zich aansluiten. Regal: „Er is bijvoorbeeld een heel erg goede misdaadboekwinkel hier in New York. De kennis die de mensen daar hebben, zou je ook aan de andere kant van het land moeten kunnen krijgen.

,,We willen op allerlei manieren de middle man tussen schrijver en lezer zijn. Veel van wat wij doen, bestaat al – maar wij brengen het samen. Als je bij ons naar Cloud Atlas van David Mitchell zoekt, moet je de recensie krijgen, de discussie over het boek, iets over de film – zodat je daar uiteindelijk zelf uit kan pikken wat je interessant vindt.”

Intussen kunnen schrijvers en uitgevers die zich aansluiten zelf niet alleen de verkopen van hun werk volgen, maar ook wat de lezers van hun boeken verder lezen, zeggen en aanschaffen op de site. Eenvoudig kunnen de lezers delen welke passages ze interessant in een boek vinden, of zelfs de opmerkingen die ze maken. „Zo hopen we een netwerk van curators te creëren, dat uiteindelijk waardevoller is dan het eenvoudige ‘iemand die dit boek kocht, kocht ook dat boek’ van bijvoorbeeld amazon.” Een prominente plek op de site is ook niet te koop. „Onze kracht moet de kennis en de discussie zijn,” zegt Regal. Waarbij een veelgelezen recensie op een site zo naast de bespreking uit The New York Times kan staan.

De verkoop is begonnen met Making Mavericks, het net verfilmde levensverhaal van surflegende Frosty Hesson. Echt storm loopt het nog niet, in het sociale deel van de site heeft Hesson enkele tientallen ‘volgers’. Maar de initiatieven van Regal en Nash maken wel duidelijk waar er beweging in de Amerikaanse uitgeefwereld zit. Dat de meest voorkomende verschijningsvorm voor literatuur digitaal zal zijn, staat wel vast – en is eigenlijk bijzaak. Het boek staat niet meer alleen – en de schrijver ook niet.

Waar het de komende jaren om gaat is het bouwen van gemeenschappen rondom literatuur, met lezers, schrijvers en uitgevers. Lezen wordt steeds meer een sociale activiteit, net als schrijven trouwens – sites als die van Nash kunnen zomaar een zwevend Hunter College worden. Waarbij alleen nog de vraag rest of dat alles ook in economische zin het liefdewerk kan overstijgen.

Want hoe statisch het klassieke uitgeefmodel ook kan zijn, het geld dat ermee wordt verdiend is even tastbaar als het papieren boek. Dat weet ook Gary Fisketjon, die de gast in zijn kantoor juist een stapel van zeven recent door hem uitgegeven boeken in handen heeft gedrukt. Nu observeert hij geamuseerd hoe die probeert ze allemaal in zijn verslaggeverstas te proppen. „Een collega van mij had een paar jaar geleden een e-reader, ze was heel blij dat ze nooit meer met papier hoefde te sjouwen. Ik zei haar dat ik niet van gadgets hield. Inmiddels heeft zij het ding ook alweer weggedaan.” Op Gary Fisketjons boekenkast zit een A4’tje geprikt met een foto van Keith Richards. De tekst: „I outlived Michael Jackson. Bet you didn’t see that coming.” Uitgeprint van internet.