Oor

Mijn oudere broer en ik werden eens tegelijkertijd geïnterviewd en we noemden daarbij op provocerende wijze Van Gogh een „prutser”, pour épater le bourgeois. Sindsdien ga ik door het leven als Van Gogh-hater. Maar ik haat hem helemaal niet, wat mij stoort is het larmoyante gedoe om hem heen. Altijd maar weer komen ze aan met die brieven die zo prachtig geschreven zijn. Waarom is Van Gogh dan geen schrijver geworden? En dan dat oor! En dat hij zo arm was en zo vreselijk heeft geleden en zo ongelukkig was, zonder verder in te gaan op de kwaliteit van zijn schilderijen. En dat oor en dat oor en dat oor. Hij is het symbool geworden van de lijdende kunstenaar. De Halbe Zijlstra’s van deze wereld vinden dat prettig en geruststellend. Een kunstenaar dient arm te zijn en hij moet op een lekkend zolderkamertje diep zitten te lijden. Of hij moet succes hebben en goed in de markt liggen, want voor die mensen is de „markt” het hoogste goed, een god voor wie alles moet wijken.

Jaren geleden vond ik een medestander in de persoon van Jacob Boersma, de dichter Alain Teister. In café Scheltema hebben we ons een hele middag vermaakt met het uitwisselen van onze ergernissen over de hardnekkige mythevorming rondom Van Gogh. We vatten het plan op een pamflet te gaan schrijven, waarin we onze ergernissen breed uit zouden meten. Een leuk idee, maar het is er helaas nooit van gekomen. En we hadden nog wel zo’n prachtige titel voor ons geschrift, waar we zeer tevreden over waren. Het zou gaan heten: ‘Oorzaak en Van Gogh’.