Microben op Mars

Mijn hotelkamer in New York had uitzicht op de achterkant van een groot busstation naast de ingang van de Lincoln Tunnel, de ondergrondse (en onder-rivierse) snelweg van Manhattan naar New Jersey. Verre van pretty, maar heel laat geboekt en toch nog redelijk betaalbaar. Natuurlijk drong pas in het hotel door: New Yorkse chauffeurs toeteren voortdurend. Ook buschauffeurs. Ook ’s nachts.

Bij de voorkant van het hotel sliepen de daklozen. De stoep was niet zo breed, soms moest je bijna over hen heen klimmen. Eén had een oude bureaustoel bemachtigd en sliep daarin. Hij viel ook weleens met stoel en al om en sliep dan gewoon verder. Aan het begin van de avond kwamen soms mensen schone onderbroeken en sokken uitdelen. Taxichauffeurs reden graag naar deze straathoek omdat je er voor 99 dollarcent een enorme pizzapunt kunt kopen.

Ik was net daarvoor in Princeton geweest, iets meer dan een uur met de auto naar het zuidwesten. Een van de meest aangeharkte stadjes denkbaar. Gevallen herfstblaadjes worden er niet getolereerd, maar bijeengeblazen en gerecycled. Letterlijk, tot compost dat weer bomen helpt groeien. Er staan sprookjesachtige, beklimopte universiteitsgebouwen. Probeer maar eens niet verliefd te worden op Princeton.

Hoogtepunt was het bezoek aan het Institute for Advanced Study, waar ‘onze’ Robbert Dijkgraaf directeur is geworden. Hij hield er zijn eerste openbare lezing en het publiek lag, zoals we dat gewend zijn, aan zijn voeten. Er werd geschaterd en geapplaudisseerd. Bijvoorbeeld bij zijn grapje over het ‘butterfly effect’: als mensen vertellen dat de vleugelbewegingen van een vlinder in één deel van de wereld een tornado in een ander deel kan veroorzaken, maken ze met hun handen meestal extremere bewegingen dan zo’n vlinder, en ze maken zich zelden zorgen om wat dát veroorzaakt.

‘Netwerken’ is op het instituut tot kunst verheven. Mensen doen het voortdurend, maar het voelt totaal ongeforceerd en vooral gezellig. Voor je het weet zit je te lunchen met topwetenschappers. Een astrobioloog bleek zich zorgen te maken over de micro-organismen die we met ruimtesondes naar andere planeten brengen: er blijft een piepklein deel van in leven, het is onbetaalbaar om de sondes volledig te steriliseren. Misschien denkt een missie dus ooit wel leven te vinden op Mars, of op Europa, een maan van Jupiter – en dan zijn het in feite slechts de microben die mensen er eerder brachten. Of misschien vernietigen die zelfs het eventuele leven dat daar al was.

Kun je dat vergelijken met konijnen brengen naar Australië, vroeg ik? Het antwoord: ja, op microbiologische schaal dan. Ik had eigenlijk beter kunnen vragen naar de besmettelijke ziekten die de eerste Europeanen naar de Amerika’s brachten. De Lenape, de oorspronkelijke bewoners van Manhattan (toen Manahatta), stierven er in de 17de eeuw massaal aan.

Beschaafder kan het bijna niet: bezorgd zijn over eventuele buitenaardse bacteriën. Echt Princeton. Niet dat ze er, bijvoorbeeld, geen daklozen hebben. Hier krijgen ze wild te eten. In Princeton en omgeving gedijt het witstaarthert namelijk goed. Iedereen kent wel verhalen over aanrijdingen met herten waarbij mensen omkwamen. Op rijles leer je: als je een hert ziet is gas geven beter dan remmen. Een deel van de herten wordt afgeschoten en het vlees gaat naar de voedselbanken. Maar Princeton zou Princeton niet zijn als dat de bevolking niet hevig verdeelde. Want wat is nou humaner: de herten steriliseren of de armen voeden?

In deze rubriek beschrijven de verslaggevers hun indrukken in Amerika. Ellen de Bruin stelde onder meer de bijlage Wetenschap van morgen samen.