Ik houd de lijdende mens in gedachten

Is dierenliefde te verenigen met werken in het dierenlab? Wetenschapper Merel Ritskes ziet het als haar missie dierenleed te beperken.

fotografie: Lars van den Brink Onderwerp: Merel Ritkes

Merel Ritskes mediteert twee keer per dag. Kussentje onder de billen, handen losjes geopend en de blik naar de grond. Ze doet het samen met haar man, die zenmeester is. Slaat ze een keer over, dan voelt ze zich de hele dag gejaagd. Meditatie is voor haar een manier om te reflecteren. Waar is ze eigenlijk mee bezig? De boeddhistische denkwijze heeft ze geïntegreerd in haar werk als wetenschapper en directeur van het Centraal Dierenlaboratorium Nijmegen. „Vragen stellen opent de geest”, zegt ze.

Ritskes (52) groeide op in Friesland. Pake was boer, haar vader directeur van een zuivelbedrijf. Zij hield van dieren. Dus vertrok ze naar Utrecht voor de studie diergeneeskunde. Al gauw kwam ze erachter dat het beroep van dierenarts niet zo romantisch was. Stond ze antibiotica toe te dienen aan kistkalveren. Had niks te maken met dierenliefde. „Ik maakte de koeien rijp voor de slacht.” Ritskes – ze eet alleen biologisch vlees – was onderdeel van een systeem waarvan ze geen onderdeel wilde zijn.

Ze koos een ander pad. Dat van de proefdierkunde. Haar scriptie ging over het gebruik van ratten in onderzoek naar hart- en vaatziekten. Ze kwam tot twee inzichten. Eén: de kwaliteit van het onderzoek kon beter. Twee: dat zou een positief effect hebben op het welzijn van mens én proefdier. En zij, Merel Ritskes, wilde daar iets in betekenen.

Dertig jaar later moet ze als directeur geregeld uitleggen hoe dierenliefde te verenigen is met werken in een lab waar onschuldige beestjes ziek, dan wel doodgemaakt worden. Wat veel mensen niet weten, zal ze dan vertellen, is dat alle veelbelovende medicijnen getest móéten worden op dieren. Dat staat in de wet. Uitgaande van die realiteit ziet ze het als haar missie het gebruik van proefdieren te beperken. Dat doet ze goed; vorig jaar ontving ze van de Dierenbescherming de Lef in het Lab-prijs, omdat ze wetenschappers wereldwijd aanspoort eerst grootschalig literatuuronderzoek te doen voor ze een proefdier uit het hok halen. Samen met haar echtgenoot woonde Ritskes een jaar in Japan en negen jaar in Denemarken. Ze is bewust kinderloos. Zeven dingen die Merel Ritskes nu van het leven weet.

„Ons leven heeft geen zin. Stel dat iemand vanaf de maan naar onze planeet kijkt, dan maakt het geen bal uit of ik leef of dood ben. Die kosmos draait wel door. Ik vind het gezond me dat te realiseren. Mijn ego is niet het allerbelangrijkste op deze wereld. Na mijn studie ging ik met mijn echtgenoot naar Japan – hij wilde een half jaar in een zenklooster wonen en ik ging werken aan de universiteit. Ik leerde de paradox van het boeddhisme: het absolute en het relatieve zijn beide waar. Absoluut gezien heeft het leven geen zin.”

„Dus probeer het leven zinvol te maken. Dat is de relatieve kant. Nu ik er toch ben, wil ik betekenis geven aan mijn bestaan. Ik zie het als mijn taak goede wetenschap te bedrijven en goed met dieren om te gaan. In Nijmegen zijn we teruggegaan in het gebruik van proefdieren van zo’n 30.000 proefdieren per jaar in 2005 naar 20.000 sinds 2008. Op persoonlijk vlak vind ik het belangrijk een goede relatie te hebben met mijn man. Eens per week geef ik zenmeditatieles, daar word ik een gelukkiger mens van.”

„Neem de bubbels weg. Ofwel: verwerk onverwerkte ervaringen. Anders zitten ze in de weg en ben je altijd met je kop ergens anders dan in het hier en nu. Ik had één heel grote bubbel. Als kind heb ik een ander kind zien verdrinken. Ik was zeven. In die tijd ging je niet naar een psycholoog. Ik ging aan de haal met het begrip ‘dood’. Dacht zeer negatief over het leven. Als kind heb ik erg geleden. De ervaring beïnvloedde me zonder dat ik wist waar het vandaan kwam. Als ik in een vliegtuig over het water moest vliegen, kreeg ik het doodsbenauwd. Meditatie en therapie hebben me geholpen de bubbel tot een puntje te maken. Weggaan zal die nooit, maar hij zit nu niet meer in de weg.”

„Wetenschap moet een open mind hebben. De titel van mijn oratie was: ‘Heeft een rat Boeddhanatuur?’ In zen leer je dat een vraag de geest opent. Wetenschap is vaak supersubjectief. Als je een groot proefdier opereert, gaat dat altijd onder steriele condities, terwijl dat bij een muis of rat vaak nog niet gebeurt. We maken onderscheid tussen grote en kleine dieren. Maar waarom? We weten dat als je ratten niet onder steriele condities opereert, hun aderen kunnen dichtslibben op de plek waar het infuus heeft gezeten. Je kunt de proef dan niet afmaken en de rat ook niet opnieuw gebruiken. Toch opereren we knaagdieren vaak niet steriel. Ik zou wel willen, maar velen vinden dat te duur. Terwijl het je op de lange termijn proefdieren scheelt. De dieren zijn gezonder en de testresultaten zijn minder variabel.”

„Dierproeven zijn nodig. Het testen van veelbelovende medicijnen op dieren is verplicht. Gelukkig wordt dat steeds vaker vermeld op de verpakking, wat het draagvlak in de samenleving vergroot. Ik ben een groot voorstander van openheid. We geven rondleidingen en gaan in dialoog met tegenstanders. Ik leg uit dat ik óók de wereld wil verbeteren. De laatste jaren werk ik zelf niet met dieren. Ik ben bezig met het introduceren van een nieuwe methodiek, die van de systematic reviews en meta-analyses. Alle kennis die we al hebben met dank aan proefdierstudies moet op inzichtelijk worden gemaakt. Dat leidt tot nieuwe inzichten en door eerst literatuuronderzoek te doen, spaar je levens van mensen en proefdieren .”

„Het doden van een aap of een muis is even erg. Het zijn beide levende wezens met gevoel. Zo is het in absolute zin. Maar ik word meer geraakt door een aap. De Oostenrijkse wetenschapper Konrad Lorenz maakte het ‘Kindchenschema’: hoe meer een dier lijkt op een mensenbaby, hoe harder we het willen beschermen. Bij een aap zit het ’m in die grote, ronde ogen. Iedereen hier in het lab houdt van dieren. Ik heb veel gewerkt met ratten. Je bouwt een band met ze op, ze gaan je handen likken. Als je proeven doet waarbij een dier lijdt, kijk je altijd hoe je dat lijden kunt verzachten. Er zijn humane eindpunten afgesproken. Daarna volgt euthanasie. Jazeker wordt hier soms gehuild als een dier overlijdt. Vergelijk het met een arts in het ziekenhuis: die hanteert een professionele distantie, maar dat wil niet zeggen dat een sterfgeval niet ingrijpend is. Bij dierproeven moet je altijd het perspectief van de lijdende mens in gedachten houden, daar doe je het voor. Of wij onszelf als mensen boven de dieren plaatsen? Ja, we zetten onszelf in het middelpunt, willen de soort beschermen en vermeerderen.”

„Mensen zouden zich minder moeten reproduceren. We zijn met genoeg, het milieu kan het straks niet meer aan. Als ik op tv beelden zie van armoede en honger, denk ik: dit kan toch niet de bedoeling zijn? Ik heb lang nagedacht over kinderen. Iedereen vroeg me in Nederland waarom ik ze niet had. De vraag waarom iemand ze wél heeft, wordt nooit gesteld. In Denemarken, waar we negen jaar woonden, was dat anders. Daar zijn kinderen minder vanzelfsprekend. Heel bewust hebben we uiteindelijk gekozen voor ‘nee’ en ik ben daar erg gelukkig mee. De drang mijn genen door te geven heb ik nooit gehad. Ik maak geen onderscheid tussen familie of geen familie. Genen zijn ook maar gewoon materie en energie.”

    • Annemarie Haverkamp