Homo: een aparte mensensoort met specifieke interesses

David M. Halperin: How to be Gay. Belknap Press, 549 blz. € 32,24 **

David M. Halperin, professor sekse-studies aan de Universiteit van Michigan, heeft het geweten. Slechts uren nadat hij in september 2000 zijn collegereeks How to be Gay: Male Homo sexuality and Initiation op internet aankondigde, liep zijn inbox vol met beledigende en obscene mailtjes. Kranten maakten zich er vrolijk over, en het parlement van de staat Michigan kwam maar vier stemmen tekort om de financiën van de colleges te stoppen. In zijn boek How to be Gay buit Halperin (1952) zijn verbaasde onschuld hierover flink uit. Hij wordt niet moe te herhalen dat hij niet van plan was met zijn collegereeks studenten (de helft vrouwen) homoseksueel te maken. Hij wilde docerend onderzoeken wat kenmerkend is voor de culturele belangstelling van homo’s.

Halperins boek doet dat ook, en presenteert de homo dus als een aparte mensensoort met specifieke interesses en zelfs uiterlijk herkenbare eigenschappen. Een op mannen gerichte seksuele oriëntatie is volgens Halperin slechts één aspect van het gay-zijn. Als homo ben je ook onvermijdelijk onderdeel van een subcultuur, die op eigen wijze selecteert uit de algemene cultuur die óók een eigen gaycultuur schept.

Halperin is nieuwsgierig naar het verloop van de initiatie in die homowereld met zijn stereotiepe belangstelling voor diva’s en Broadwaymusicals, filmsterren uit de thirties en forties, ballet, grand opera en campcultuur, zoals hij zijn typisch Amerikaanse gay-canon samenstelt.

Het probleem bij dit alles is dat Halperin enerzijds streeft naar het vinden van algemeen geldende kenmerken voor gays, maar anderzijds opziet tegen het probleem van serieus empirisch onderzoek in de homowereld. In zijn gay-bibliotheek bestudeert hij gay-literatuur en aan zijn gay-schrijftafel schrijft hij zijn gay-observaties neer. Die grijpen vooral terug op zijn eigen gay-interesses, die vrijwel samenvallen met zijn gay-canon.

Het levert een moeizaam leesbaar dik boek op, geschreven met een overmaat aan wazig sociologisch jargon en in vage cirkels redenerend, altijd weer terechtkomend op zijn absolute idool Joan Crawford, die op 88 pagina’s wordt genoemd.

Halperin schrijft vanuit een verlicht, kosmopolitisch standpunt over de Amerikaanse gay-cultuur – alsof die tolerante houding gangbaar zou zijn in de goeddeels landelijke, conservatieve, en vaak fanatiek anti-homoseksuele Verenigde Staten. Het behandelen van de gay-wereld als een goeddeels uniforme subcultuur miskent daarnaast de grote verschillen tussen homo’s. Naar Nederland verplaatst reikt het spectrum van relnichten als Geer en Goor via Paul de Leeuw en Cornald Maas met hun Songfestival-idolatrie, tot de voormalige ‘onderkoning’ Herman Tjeenk Willink en zijn partner Quintus Marck. Wat zijn hun overeenkomsten?

Neem de eerste de beste homo, bijvoorbeeld mijzelf. Ik vind homoseksualiteit vooral iets dat privé is, al moet worden gestreden voor de acceptatie ervan. Ik gedraag me niet volgens de stereotiepe patronen, ik ga niet naar de Canal Parade. Ondanks mijn liefde voor opera ben ik geen operanicht. Wel een keurig getrouwde man met een man, onopvallend in het sociale verkeer.

Halperins boek is al met al geen degelijk onderzoek naar de diepere oorzaak van een aantal stereotiepe houdingen en interesses die men zou kunnen onderkennen bij een deel van de homo’s, zoals valsenichterigheid, ironie, een hang naar pure schoonheid. De auteur doet aan essayistisch zelfonderzoek als homo en extrapoleert dat vervolgens naar alle andere homo’s. Eigenlijk, maar om de verkeerde reden, hadden de critici van Halperins colleges gelijk: zonde van het belastinggeld.