Het matriarchaat heeft de toekomst

Recensie

Vrouwen in de VS grijpen kansen, hun zonen niet. Mannen zijn sowieso overbodig aan het worden, aldus journaliste Hanna Rosin.

Foto Hollands Hoogte

Een van de wetten van de aandachtseconomie is dat wie een goede titel verzint, zijn boek eigenlijk niet meer hoeft te schrijven. Dit geldt in hoge mate voor The End of Men – and The Rise of Women waarmee journaliste Hanna Rosin de afgelopen maanden veelvuldig de Amerikaanse media haalde. Het boek is de uitwerking van een artikel in The Atlantic uit 2010 waarin Rosin betoogde dat de omschakeling van een industriële naar een postindustriële samenleving de Amerikaanse man op achterstand heeft gezet. In haar boek probeert zij die stelling uit te breiden naar andere levensterreinen en werelddelen, met wisselend succes.

Neem seks. Het openingshoofdstuk gaat over de fraternity-cultuur op campussen. Twintig jaar geleden was date-rape een groot probleem, nu schijnen de cijfers voor seksueel misbruik overal in de VS te dalen. Ondertussen schijnen vrouwelijke studenten in seksuele roofzucht niet langer onder te doen voor de mannen. Als we Rosin mogen geloven, tenminste want de bewijsvoering is anekdotisch en berust voornamelijk op de persoonlijke (poch?)verhalen van de studentes die ze spreekt.

Interessanter wordt het als Rosin overgaat naar andere terreinen, demografie en economie. Ze komt met opmerkelijke cijfers. Sinds 2010 hebben in de VS meer vrouwen dan mannen een baan. Meer vrouwen dan mannen studeren af en vrouwen domineren de campussen. In 1970 droegen vrouwen 2 tot 6 procent aan het familie-inkomen bij, nu iets meer dan 42 procent. Rond 2008 passeerde het gemiddelde inkomen van vrouwen uit de arbeidersklasse dat van mannen. Een derde van de Amerikaanse artsen, 45 procent van de juristen en 61 procent van de accountants is nu vrouw.

In economische en sociologische verhandelingen over de huidige economische crisis wordt doorgaans geen sekseonderscheid gemaakt. Rosin wijst er terecht op dat de crisis verschillende effecten heeft op mannen en vrouwen. De overschakeling in de VS van een maak- naar een diensten- en data-economie is voor vrouwen gunstig (in sectoren waar men meeste banen verwacht, domineren vrouwen, zoals gezondheidszorg, administratie, dataverwerking), en voor mannen ongunstig. Cru gezegd – en Hanna Rosin houdt van cru: ‘Kracht en spieren zijn overbodig geworden.’

Vrouwen hebben massaal hun nieuwe kansen gegrepen. Mannen, ‘fixed in cultural aspic’, hebben daarentegen alleen te verliezen en passen zich niet aan. Sterker, ze haken af door in groten getale hun school niet af te maken, lager opgeleid te blijven dan hun vaders en hun leeftijdgenotes en, als het gaat om lagere inkomensgroepen, maar al te vaak in de gevangenis te belanden.

Met deze cijfers en met haar vele, te lang uitgewerkte interviews met zich nutteloos voelende mannen en uitgeputte, maar zeer dynamische vrouwen, geeft Rosin een beeld van de Amerikaanse bevolking dat in het publieke besef nog niet is doorgedrongen – laat staan in wetgeving of politiek. Daar domineert nog steeds het beeld van het gezin waarin de vader hoger is opgeleid en meer verdient dan de moeder, en waarin de kinderen het verder zullen schoppen dan de ouders.

De werkelijkheid in middle en lower class Amerika is volgens Rosin in toenemende mate die van het matriarchaat: moeder als kostwinner, vader(s) afwezig of lager opgeleid, dochters op weg naar de universiteit, zoons die zullen eindigen als NEETS, zoals een Europees rapport jonge mensen zonder vooruitzicht onlangs noemde, ‘not in education, employment, or training’. Getuige de speciale programma’s voor jongens die sommige landen opzetten, zijn Neets vaker jongens dan meisjes. ‘Jongens zijn als kikkers, een kwetsbare soort,’ citeert Rosin een universiteitsmedewerkster.

Een verwante, interessante observatie die Rosin doet, is dat het huwelijk in toenemende mate iets wordt voor hoogopgeleide Amerikanen, de ‘bohemian bourgeois’ met hun creatieve beroepen. ‘True love is for the elites.’ In lagere inkomensgroepen raakt het huwelijk in onbruik, onder meer doordat vrouwen het efficiënter vinden alles alleen te doen, zonder een man die ze in het traditionele rolpatroon probeert te dwingen of geld aftroggelt voor drank. Ruim 50 procent van de Amerikaanse kinderen wordt buiten het huwelijk geboren.

Alleenstaande moeders hebben veel vrijheid, maar ze betalen daarvoor met uitputting (Rosin beschrijft hoe ze een geïnterviewde, een alleenstaande moeder, staand in slaap zag vallen in een lift). Kinderen komen vooral vaderlijke maar ook moederlijke aandacht te kort.

Dat is een interessante blik op de maatschappij. Helaas dwingt de titel van het boek Rosin haar stelling ook uit te breiden naar sectoren van de samenleving waar die niet geldt: aan de top en in gezichtsbepalende beroepen, zoals politiek en media. Daarmee ontkracht zij haar boek. Haar hoofdstuk over de top gaat over de vraag waarom vrouwen niet door het glazen plafond breken – en verdoezelt zo de mate waarin vrouwen achterlopen in bedrijfsleven, media en wetenschap. Nog altijd verdienen mannen meer dan vrouwen voor hetzelfde werk, nog altijd doen vrouwen meer in het huishouden. Het is voorlopig nog wishful thinking deze zaken af te doen als ‘artefacten van een verdwijnend tijdperk.’

Rosin signaleert wel de pijlsnelle opkomst van de ‘alpha-girl’ uit de nieuwe Aziatische middenklassen, maar niet het zorgwekkende mannenoverschot door selectieve abortus van meisjesfoetussen in India en delen van China. Maar ja, met een genuanceerdere titel als ‘het einde van de arbeider en de opkomst van de alleenstaande moeder’, had Hanna Rosin lang niet zoveel aandacht getrokken.