‘Het Leitmotiv van het leven is status’

Tom Wolfe is in de tachtig, maar gaat nog steeds als journalist op reportage. Intussen woont hij in een riant appartement en ontvangt in ‘uniform’

Tom Wolfe (l.) op 30 juli 1968 op de hoek van East 58th Street in New York en op 22 oktober j.l. ten tijde van de presentatie van zijn nieuwe boek ‘Back to Blood’. Foto’s Mark Seliger/Bloomberg en Sam Falk/NYT

Tom Wolfe ontvangt journalisten graag thuis. Dat gaat bijvoorbeeld zo. De journalist arriveert – voor de zekerheid – iets te vroeg bij het appartementencomplex aan de dure Upper East Side in New York. Een doorman belt naar boven: het bezoek is er. Te vroeg, even in de hal wachten. Vijf à tien minuten later wordt de doorman gebeld en dat het bezoek de lift kan nemen „naar de veertiende verdieping” (die kennelijk helemaal van Wolfe is). Daar leidt een hulp in de huishouding het bezoek naar een kamer die klassiek is ingericht, in redelijk lichte kleuren en nogal volgepakt: drie stoffen banken, een vleugel, boekenkasten tot aan het plafond (veel kunstboeken) en diverse antiek ogende kastjes en tafeltjes, waaronder een houten koffietafel in de vorm van drie enorme, opgestapelde koffietafelboeken. Op dat tafeltje komt een glas water, met ijs. En dan is het wachten.

Het bezoek krijgt alle tijd om de indrukwekkende kamer in zich op de nemen, en een glimp van die ernaast. De cv-radiator in de vorm van een schaap. De twee circusaapjes voor de spiegel boven de open haard, met wat scheefgezakte witte dinerkaarsen in hun voorpootjes. Aan de muur twee ingelijste covers van Simplicissimus, een begin-20ste-eeuws Duits satirisch tijdschrift. Door het open raam zijn de straatgeluiden van veertien verdiepingen lager goed te horen. Bouwlawaai, autogetoeter: dit is hartje New York.

Uiteindelijk schrijdt de schrijver zijn kamer binnen, licht gebogen (hij is 81) en uiteraard in een wit kostuum, zijn ‘uniform’. Hij neemt plaats, krijgt zijn ijswater op een bewerkt houten dienblaadje, plus een extra kan water erbij, en neemt het woord. Een zachte stem heeft hij, waarmee hij soms nauwelijks over het straatlawaai heen komt. Hij formuleert ook wat aarzelend. En wat is hij vriendelijk! Het woord beminnelijk lijkt voor hem uitgevonden. Als zijn vrouw Sheila komt melden dat het uur om is, blijft hij ontspannen verder praten. En voor hij het bezoek naar de lift brengt, leidt hij het nog langs een boekenkast om samen een boek over Simplicissimus te bekijken, dat Duitse tijdschrift waar hij dol op is.

Pas op straat bedenkt de geïmponeerde journalist: dit is natuurlijk hoe Tom Wolfe het zelf aanpakt, dit zijn zijn ‘statusdetails’. Zijn nieuwe boek, Back to Blood, zit er vol mee, zijn eerdere romans ook: beschrijvingen van het idiosyncratische gedrag dat verschillende groepen mensen vertonen om status te krijgen, stoer te zijn. De manier waarop ze praten, zich kleden, zich gedragen... En dit is dus hoe Wolfe zijn eigen imago in stand houdt.

Interviews met hem vermelden vaak dezelfde details: een journalist, soms met jetlag, onder de indruk van Wolfes appartement dat de héle veertiende verdieping van een chique gebouw in Manhattans Upper West Side beslaat, de hulp, het wachten, de kunst, het witte pak, de zachte stem (zeker met al die straatgeluiden), de opvallende vriendelijkheid.

We hebben het er net nog over gehad, uiteraard, over status. „Weet je”, zei hij op zijn zachte, vertrouwelijke manier, „ik geloof oprecht dat dat het Leitmotiv van het leven is. Het gaat allemaal om status.” Hij spreekt het woord knauwend, zuidelijk Amerikaans uit, ‘stèh-tus’, herpakt zich dan en zegt het nu op zijn Brits: „Of zei jij status?” Vroeger, legt hij uit, dacht hij dat het twee verschillende woorden waren: dat het ene gebruikt werd als je het had over de boiler in de kelder, en het andere in de sociologie, door zijn professoren. Hij lacht zachtjes. Vertelt dan: „Voor mij is het alsof ik een schakelaar omzet. Als ik die schakelaar niet omzet, merk ik al die statusdetails niet op. Maar zodra ik met mijn verslaggeverswerk begin – en ik denk dat verslaggeving cruciaal is voor zowel fictie als non-fictie – dan ga ik ernaar op zoek.”

Back to Blood speelt in Miami. Het is een roman over immigratie: in het eerste hoofdstuk voorkomt een jonge Cubaans-Amerikaanse politieagent dat een Cubaanse vluchteling voet op Amerikaanse bodem zet en zo asiel krijgt (Cubanen hebben daarin, sinds Castro, een gunstige uitzonderingspositie). Daarna ontvouwt zich het voor Wolfe inmiddels gebruikelijke mozaïek aan personages en hun subculturen. De Cubaanse politieagenten bijvoorbeeld, de grootste etnische groep binnen de politie van Miami. De blanke ‘Anglo’ agenten noemen hen ‘Canadezen’ om vrijer over hen te kunnen roddelen. Cubanen kijken intussen neer op blanken, die dronkenschap stoer vinden en er écht niet uitzien – een beetje Cuban cop neemt zijn shirt een maat te klein om zijn spierbundels goed te laten uitkomen en laat zijn uniformbroek rond de billen innemen, voor een goed strak kontje.

Verder komen we nog van alles te weten over de bijzondere gewoonten van Cubaanse oma’s, blanke puberjongens, zwarte drugsdealers, Russische criminelen, rijke kunstkopers – wie al niet. Wolfe lijkt het overbrengen van zulke informatie belangrijker te vinden dan de nogal wilde verhalen die de roman vertelt.

Voor Back to Blood reisde hij twee jaar lang regelmatig naar Miami, „op reportage”. De openingsscène van de roman speelt zich af op een uiterst oncomfortabele snelle politieboot; Wolfe maakte zo’n ritje ook (de oude schrijver had het liefst in een nóg snellere smokkelaarsboot plaatsgenomen). Zijn ervaringen als jonge journalist in Cuba kwamen hem ook van pas. Terloops merkt hij op dat hij in 1961 de Washington Newspaper Guild Award won voor zijn verslaggeving daar.

Wolfe ziet zichzelf nog steeds als journalist, zo blijkt als ik naar zijn politieke voorkeur vraag: hij vindt het „als journalist” verkeerd om daarover te praten. Al wil hij wel kwijt dat hij meestal toevallig zo stemt als de meerderheid van het land, en dat hij het nu, inderdaad, nog niet weet. Weer die vertrouwelijke toon: „Ik zal je wat vertellen. De Amerikaanse regering is als een trein op de rails. Er staan veel mensen aan de linkerkant ernaar te roepen, er staan veel mensen aan de rechterkant te roepen, maar de trein heeft geen keuze, die rijdt op de rails. Reagan wilde het ministerie van Onderwijs afschaffen. Toen hij het Witte Huis verliet, had dat ministerie een groter budget dan toen hij kwam. Obama is ook op veel punten naar het midden gedreven. Romney ook. Maar zolang ze niet gek worden, en dat is niet gebeurd, ben ik oprecht niet bezorgd.”

Ook over immigratie neemt hij geen standpunt in. Hij beschrijft. Het onderwerp interesseerde hem al langer. „Er zijn veel mooie verhalen over mensen die proberen de Verenigde Staten binnen te komen. Ik vroeg me af: hoe ziet hun leven eruit als ze eenmaal hier zijn?”

Aanvankelijk richtte hij zich op Vietnamezen in Californië. „Maar ik ontdekte dat, voor zover ik weet, Miami de enige grote stad ter wereld is waar mensen uit een ander land met een andere taal en cultuur ooit in iets meer dan één generatie tijd het hele stedelijk gebied hebben overgenomen.” Dus werd het Miami, waar de Miami Herald een editie heeft die El Nuevo Herald heet. „Een Argentijnse journalist vertelde me ooit: Miami is plan B voor iedereen in Latijns Amerika.”

Als hij een non-fictieboek had geschreven, hadden we precies hetzelfde gesprek gehad. „Ik had ook maar één roman willen schrijven”, zegt Wolfe, „maar ik moet bekennen dat The Bonfire of the Vanities het zó goed deed, dat ik omsloeg. Ik dacht steeds: ach, dan schrijf ik er toch nóg een. Maar uiteindelijk zit er evenveel reportage in mijn fictie als in mijn non-fictie.” Toch wordt zijn volgende boek weer non-fictie: hij werkt aan een boek over de geschiedenis van de evolutietheorie. „Toen ik opzocht waar Zola de titel La Bête Humaine vandaan had, bleek die van Darwin te komen. Evolutie was nog nooit op mijn bord beland en ik vind het fascinerend.” En over de survival of the fittest gesproken: met zijn gezondheid gaat het prima. Wolfe sport ruim een uur per dag. Trots: „Ze zeggen dat ik in de tachtig ben, maar daarover zeg ik: die leeftijd is een hobby van me, niet mijn beroep. Soms geniet ik er ’s avonds van, maar overdag werk ik.”