AKO-winnaar Peter Terrin

De toekenning van de AKO Literatuurprijs noemde Peter Terrin afgelopen maandag een „godsgeschenk”. Ook vanwege die halve ton prijzengeld natuurlijk, waar misschien wel een ‘Porsche uit de jaren zeventig’ mee aangeschaft zal worden zoals hij in Nieuwsuur bekende, maar vooral „omdat ik nu weet dat ik mijn publiek beter zal bereiken. Daar is het me uiteindelijk om te doen”.

De Vlaming toont vertrouwen in de kracht van zijn proza: overal zijn ze eigenlijk, die lezers van hem, alleen: velen ervan moeten zijn boeken nog ontdekken. Is de inmiddels 44-jarige auteur, die al zeven veelgeprezen boeken publiceerde, miskend? Dat niet. Het punt is dat hij in commerciële zin nog niet beloond is voor een oeuvre dat begon met de verhalenbundel De Code (1998) en de roman Kras (2001). Het warme bad van de kritiek kwam pas in 2003 toen Blanco verscheen, een roman over een vader met beschermingsdrang.

NRC schreef toen: ‘Hoe is het mogelijk dat Terrin (1968) jaren nagenoeg onopgemerkt is gebleven in Nederlandse literaire kringen? Enig onderzoek leert dat het niet aan de kwaliteit van zijn werk ligt.’ Het debuut De Code stond ‘vol subtiel geschreven verhalen waarin de wereld zich doorgaans net iets gevaarlijker toont dan de hoofdpersonen verwachten’, terwijl Kras ‘even goed geschreven’ was als zijn voorganger.

De schrijver Terrin werd op een Engelse hotelkamer geboren, zo vertelde hij in 2003 in een interview. Na een afgebroken ingenieursstudie vermoedde hij „dat hij in de commercie wel zou slagen”, waarna hij op een gegeven moment marmerverkoper in Engeland werd. In een hotelkamer in dat land las hij Hermans’ De donkere kamer van Damokles. „Op slag dacht ik: dit wil ik doen. Schrijven. Ik ben dus aan het werk gegaan. Ik ben gaan lezen, heel erg veel, want ik had dat van thuis niet meegekregen.”

Naar aanleiding van de bejubelde roman De bewaker (2009) concludeerde Arjen Fortuin in NRC dat ‘onwetendheid en angst’ kernthema’s in Terrins werk zijn. ‘Steeds weer worden zijn personages geconfronteerd met een wereld die zij niet goed begrijpen en die hun angst aanjaagt.’

Wat in stukken over zijn werk ook veel terugkeert, is de signalering van schrijvers die op Terrin van invloed zijn geweest na die avond in de hotelkamer. Kafka, Hermans en Camus worden genoemd, en de korte verhalenmeester Raymond Carver.

Het prijswinnende Post mortem is een metaliteraire roman over een ziek meisje. Collega-schrijver en bewonderaar Annelies Verbeke: „Ik waardeer zijn cleane stijl en zijn zoektocht naar andere vormen. Je kunt aan zijn boeken zien dat hij steeds meer argwaan heeft gekregen tegenover ‘het’ verhaal.”