Vooral niets menselijks

‘Toen op elf september het eerste vliegtuig naar binnen ging, wist niemand wat er aan de hand was. Ik belde een vriend in New York: ‘Zie jij nog andere vliegtuigen in de lucht?’ Zo ja dan was het waarschijnlijk een ongeluk. Zo nee, dan was het luchtruim gesloten en ging het om een aanslag. Mijn vriend zag geen vliegtuig aan de hemel en ik toog aan het werk: de beurs zou instorten wanneer bekend werd dat het een aanslag was, dus gingen we als een gek ‘shorten’; speculeren op een koersval.

„Toen de markt sloot en ik mijn P&L berekende, mijn Profits & Losses, ontdekte ik dat ik mijn de beste dag had gedraaid als handelaar, ooit. Toen pas drong het tot me door dat ik vrienden had in het World Trade Centre, mensen van wie ik hield. Ze waren geen seconde in me opgekomen, zo druk was ik al die tijd geweest met geld verdienen voor mijn bank.”

Ziedaar een citaat dat ik uit een interview met een bankier moest halen, omdat hij vreesde dat collega’s hem erin zouden herkennen. Het doet iedere keer weer pijn. Ik mail de transcriptie van een gesprek naar een bankier of financieel professional met de vraag of er iets herkenbaars in staat, en dan moeten natuurlijk juist die details eruit die zo’n persoon werkelijk tot leven brengen. Want praten met The Guardian betekent ontslag op staande voet.

Veel mannelijke bankiers gooien er opmerkingen uit over echtgenotes die de bonus verbrassen met shoppen of een vanity project – een economisch nimmer levensvatbare winkel of kunstgalerij. Een vrouw die haar werk bij een grote bank beschouwde als goed betaalde mishandeling, vertelde hoe ze elke ochtend na een treinrit van anderhalf uur langs het Regent Canal naar het financiële centrum Canary Wharf fietste. Regelmatig trof ze daar op een vaste plek een reiger. Dan stapte ze af, maakte oogcontact met het beest en nam een foto. „Dan kan ik er weer tegen”, zei ze, maar het detail moest uit haar interview want een paar sympathieke collega’s hadden die foto’s gezien – ze heeft inmiddels ontslag genomen en de sector vaarwel gezegd, vandaar dat ik het nu wel kan ‘gebruiken’.

En dan was er de vrouw die zich in haar werk op de bank zo’n geweld moest aandoen, dat ze uit zelfbescherming daar een andere voornaam voerde. „Ik raak echt van slag wanneer mijn vriend of familie die andere voornaam gebruikt”, vertelde ze, „alsof die werelden volledig gescheiden moeten blijven.”

Het voelt soms als schilderen met een beperkt palet aan kleuren, om mensen in de financiële sector te portretteren zonder die ‘menselijk makende’ aspecten. Misschien wel het meeste pijn deed het weglaten van deze passage. Ik sprak af met een zeer goed verdienende bankier die in de transcriptie in detail uitlegde hoe het er in zijn niche aan toeging. Toen vertelde hij dat hij de sabbat hield. „De werkelijkheid is als een man die klopt aan de deur. Je kunt ’m daar prima te woord staan, en dan beleef je even de werkelijkheid. Maar wie waarlijk wil beseffen wat het is om te leven, moet de werkelijkheid aangaan. Dat betekent dat je die man binnenlaat. Dat is de sabbat.”

Kon ik dit gebruiken? „Mijn collega’s weten niet dat ik joods ben. Maar we laten het eruit. Ik heb geen zin om bij te dragen aan het cliché van de joodse speculant.”