Verzoenend museum in een klein Zeeuws dorp

Westkapelle herdenkt de bevrijding op 1 november 1944, maar ook het voorafgaande geallieerde bombardement op de zeedijk en de overstroming van Walcheren die 206 levens kostte. Het dijk- en oorlogsmuseum laat ook het Duitse verhaal zien.

Het dijk- en oorlogsmuseum van Westkapelle, een Zeeuws kustdorp van ongeveer 2.600 inwoners, staat pal achter de hoge zeedijk. Door de zolderramen is de Britse tank bovenop de dijk te zien, onderdeel van het ‘landingsmonument’. Op 1 november 1944 was Westkapelle de eerste plaats op Walcheren die door de geallieerde troepen werd bevrijd. Zaterdag wordt dat bij het landingsmonument herdacht.

Die herdenking is elk jaar ook een herdenking van het grootste drama uit de geschiedenis van het dorp. Op 20 oktober 1944 bombardeerden 247 vliegtuigen van de Royal Air Force de zeedijk van Westkapelle. Doel was een dijkdoorbraak, zodat de zee Walcheren en de daar gelegerde Duitse troepen zou overstromen. Dat lukte. Voor Westkapelle betekende het dat 600 van de 650 woningen werden verwoest. 206 van de ongeveer 2.000 inwoners kwamen om het leven, door de bommen en door verdrinking.

Het dorpsmuseum, een verbouwd waterschapsgebouw en ‘Polderhuis’ genaamd, brengt deze beladen periode bijna van moment tot moment in beeld. Je hoort het verontrustende geluid van naderende bommenwerpers. Kopieën van het strooibiljet waarmee de geallieerde troepen de bewoners maanden het dorp te verlaten, dwarrelen voor een flatscreen met beelden van vallende bommen. Velen gaven er geen gehoor aan. Verder verzamelde het Polderhuis, dat overigens ook de oudere geschiedenis van het dorp vertelt, tientallen ooggetuigeverslagen van bombardement en bevrijding, en maakte die toegankelijk via een touchscreen met foto’s, teksten, filmpjes en geluidfragmenten. Een deel van de getuigenissen is bijeengebracht in een boek, Het niet vertelde verhaal van 44.

Bijzonder is dat niet alleen Zeeuwen aan het woord komen, maar ook bevrijders en bezetters. Volgens dorpsbewoner Ada van Hoof, een van de oprichters van het Polderhuis, bestond vanaf het begin behoefte het hele verhaal te vertellen, inclusief de Duitse kant. Het hielp dat museaal vormgeefster Ingrid Meijer, inmiddels overleden, een Duitse moeder had, en dat Westkapelle via het toerisme al jaren warme betrekkingen met Duitsers onderhoudt.

De flarden persoonlijke geschiedenis in het Polderhuis maken soms nieuwsgierig naar meer. Even kruisten de levens van Britse en Duitse militairen de geschiedenis van dit dorp. Hoe verging het hen verder?

In een vitrine staat een model van een Lancaster, een Engelse bommenwerper. Het is ter beschikking gesteld door de Engelse ex-militair Herbert Davy, die als 19-jarige een van de bommenwerpers bemande die de zeedijk vernietigden. Hij bezocht Westkapelle voor het eerst als 78-jarige, en schonk het behalve de mini-Lancaster, die zijn postbode eens voor hem had gemaakt, een persoonlijk verslag van zijn aandeel in het bombardement.

Davy meldde zich in 1943 op zijn achttiende vrijwillig aan voor de Engelse luchtmacht. Het huis en de vleeshandel van zijn familie waren twee jaar eerder door Duitse bommen vernietigd. Het was Davy’s droom ‘achterste schutter’ te worden in een bommenwerper. „Niet uit wraak”, schrijft hij in zijn verslag, maar voor het avontuur: „(…) nadat ik een dienstdoende schutter had ontmoet en van zijn dolle streken had gehoord besloot ik dat dit het was voor mij!”

Met vaste collega’s (piloot, navigator, bommenrichter, radiotelegrafist en boordwerktuigkundige) voerde hij bombardementen uit in Duitsland en de bezette gebieden. Het ging om haveninstallaties, troepenconcentraties, olieraffinaderijen, rangeerterreinen van treinen, bouwplaatsen van bommen. Op 3 oktober 1944 zat hij in het tachtigste vliegtuig dat block busters (4000 pondsbommen) liet vallen op de zeedijk van Westkapelle. Bij de briefing vooraf hadden de vliegers te horen gekregen dat de bewoners waren gewaarschuwd, en ze hoopten dat ze weg waren gegaan. Na terugkeer op de basis waren ze euforisch omdat de missie was geslaagd.

Na de oorlog pakte Davy zijn werk in het familiebedrijf weer op. Hij trouwde en kreeg twee kinderen. Pas jaren later ontdekte hij via het boek Het verjaagde water van A. den Doolaard, geleend van een Nederlandse vriend, wat de bommen in Westkapelle hadden aangericht. Toen zijn zoon naar Luxemburg verhuisde en hij toch op het vasteland moest zijn, besloot hij het dorp te bezoeken. Hij was voorbereid op rancune onder de bewoners, en opgelucht toen daarvan geen sprake meer bleek te zijn.

In een Duitse soldatenkast in het Polderhuis staan enkele foto’s en een brief van een Duitse soldaat die in Westkapelle was gelegerd, Dieter Hüllstrung. Ze belandden in het museum via Altfrid Gramm, een Duitse chemicus die sinds de jaren vijftig jaarlijks in Westkapelle op vakantie gaat. Als vriend van Ada van Hoof raakte hij bij het Polderhuis betrokken, onder meer als vertaler. In het tijdschrift De Wete van de Heemkundige Kring Walcheren had hij eens ervaringen gelezen van Duitse militairen die op Walcheren gelegerd waren geweest. Een van hen was Hüllstrung. Gramm spoorde hem op, maar hij bleek in 2000 te zijn overleden. Zijn weduwe stelde de brief en de foto’s ter beschikking.

Hüllstrungs zoon Jan publiceerde vorig jaar een boekje over zijn vader, gebaseerd op diens oorlogsherinneringen. Dieter Hüllstrung vierde 19 februari 1944 zijn negentiende verjaardag in Westkapelle. Nog mank door een voetblessure die hij had opgelopen bij een oefenmars, was hij als reserveofficier-in-opleiding in Westkapelle geplaatst. Hij en zijn divisie moesten de verwachte invasie van de Engelsen stuiten, die echter nog uitbleef.

De brief in het Polderhuis was gericht aan Marlene, een meisje dat hij kende van dansles. Hüllstrung beschrijft opgewekt hoe hij na een minder prettige dienst als kanonier op een gevechtspost hulpwaarnemer werd in een observatiebunker: „Het is een echte bunker met ventilatiesysteem en pantserkoepel en behoorlijk gezellig.” Later moet hij naar een oude Nederlandse artilleriebunker, „koud, vuil, nauw”. Hij geniet van de zee, die hij nog nooit had gezien. En: „Het land hier is erg leuk, alle mensen lopen hier nog in klederdracht, men ziet heel zelden een meisje in moderne kleding. En allen lopen natuurlijk in pantoffels van hout, ook de mannen.”

Hüllstrung ontkomt aan het bombardement omdat hij wordt overgeplaatst, maar ondergaat andere ontberingen, zo blijkt uit het boekje van zijn zoon, getiteld Odyssee durch Russland. In juni 1944, kort na D-day, wordt hij naar het oostfront gestuurd, waar hij al snel gevangen wordt genomen. Vijf jaar brengt hij als krijgsgevangene door in Russische kampen. Hij bezwijkt bijna aan ondervoeding, buikloop, slapeloosheid en turf steken in de vrieskou, maar overleeft door zich uit te geven voor klokkenmaker, onder meer omdat handwerklieden behalve waterige soep ook wat boekweitpap te eten krijgen. In gevangenschap leert Hüllstrung het vak van timmerman. Na zijn terugkeer in 1949 gaat hij scheikunde studeren en treedt in dienst bij Bayer in Leverkusen, waar hij tot zijn pensionering werkt. Hij trouwt in 1955 met een veertien jaar jongere vrouw (niet Marlene) en krijgt vier kinderen.

Voor zowel Herbert Davy als Dieter Hüllstrung hield de oorlog invloed op hun leven. Davy, inmiddels dementerend, schreef in zijn verslag voor het Polderhuis dat hij nog dagelijks terugdacht aan zijn jaren bij de luchtmacht. Hij betreurde de vernietiging en de doden, maar had geen spijt. „Ik deed wat ik dacht dat toen juist was en dat geloof ik nog steeds.” Hüllstrung deed in zijn vrije tijd veel jongerenwerk in de kerk. Volgens zijn vrouw wilde hij jongeren kritischer maken, omdat hij zelf zonder nadenken de oorlog in was gerold. Zijn ouders waren geen lid van Hitlers partij, maar bekritiseerden die ook nauwelijks. Volgens zijn zoon Jan herinnerde Dieter zich alleen wat laatdunkende opmerkingen als „die Oostenrijkse korporaal”, of „Hitler betekent oorlog”. Na de oorlog zei Dieters vader dat hij zijn kinderen een onbezorgde jeugd had willen geven.

De weduwe van Dieter Hüllstrung reisde afgelopen voorjaar voor het eerst naar Westkapelle voor een bezoek aan het Polderhuis, met nog tien familieleden. Het was een ontroerende gebeurtenis, zegt ze. Ze noemt het prachtig, dat verzoenende museum in een klein Zeeuws dorp.