Column

The American Dream: verliezen is winnen

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

De film End of Watch wil maar geen verhaal vertellen. De verveling slaat toe. Hé! Aan de binnenkant van een bovenarm zie ik een pleister. Het personage gaat eraan. Zijn partner huilt en van die pleister horen we nooit meer wat. Ik mag me graag laten ontroeren, maar krokodillentranen laat ik over aan de krokodillen.

De dode politieman is trouwens een latino. De term latino, schrijft Tom Wolfe in zijn nieuwe roman Back to Blood, bestaat alleen in de Verenigde Staten en dekt een restcategorie: as white as any anglo, except for the blond hair. Wolfe bouwt een woeste roman op die cynische observatie. Deze film bouwt niks. Hij is ‘echt’ gefilmd, net reality-tv. Behalve het geweld, dat krijgen we voornamelijk mee via geweldsvervangend geluid. Ingevoerd door Quentin Tarantino en al weer jaren in de mode.

Een bruine cop en een blanke, dat is Winnetou en Old Shatterhand. Amerika komt maar niet van de western af. Het wilde westen is nu het wilde getto. Het lijkt anders, is niks nieuws, en in een western zaten dan tenminste nog leuke paarden. Voorbij. Twee paarden zijn één auto. Twee mannen op één voorbank – dat geeft een hoop slap geklets.

Andere bioscoopzaal. Killing Them Softly strompelt van incident naar incident. Weer een soort western. Een outlaw: een huurmoordenaar. Indrukwekkende figuur, Brad Pitt speelt ’m, die weet hoe dat moet, zijn zonder inhoud. De junkies zijn de cowboys. Schietgraag. Stinkend. Stom. Tragisch in hun falen, zoals Achilles tragisch was.

Killing Them Softly. End of Watch. In één week twee films die worstelen met the American Dream: iedereen kan het maken in Amerika, jij ook, als je maar wilt. Niet dus, maar dat wil niemand weten. Het leidt tot films over heroïsche verliezers. Ook de loser is een held. Vandaar het gebrek aan verhaal, want zo verkoop je the American Cliché. Vandaar die reality-stijl: want zo ís het.

Nee, zó is het, zei de New-Yorkse fotografe Diane Arbus (1923-1971). Hoe dan? Het verleden is een ander land – dat betekenen voor ons, in het hier en nu, haar scherp getroffen portretten die ze als een lasso om de nek van de tijd gooide. Maar ze trof met die foto’s ook een facetje van de eeuwigheid, en dat zien we ook.

Ik kijk in het fotomuseum Foam naar haar foto’s. Wist ik nou maar niet dat ze haar polsen opensneed en doodbloedde. Nu denk ik, ook al wil ik het niet: wat een droefenis, wat een sombere kijk. Die ongepaste stellen, die gure kinderen, die travestieten. Die krabbelaars uit het variété. Die grove blote klant in de armen van een dominatrix. Die onbarmhartig naakte lijven van de nudisten in hun huiskamers.

Maar elke foto heeft twee kanten. Eentje achter de camera en de andere ervoor. Ik ga Arbus’ foto’s nog een keer langs, vergeet haar en concentreer me op wat er vóór de lens gebeurde. De dwerg met zijn blote bast, de travestiet met de krulspelden en plaknagels, zelfbewust vervullen ze hun droom. De geestelijk gehandicapten hebben pret, in hun verkleedkleren. En zelfs de reus, die niet rechtop kan staan in de huiskamer van zijn ouders, is tevreden.

Arbus’ modellen voldoen nooit aan de American Dream, ook niet wie ‘normaal’ is. En velen zijn freaks, afwijkelingen. Freak. Een woord als een pets!, maar dat kan hun niet schelen. Waardig kijken ze, soms ook geamuseerd: Jij noemt mij een freak? Wat is een freak dan? Iemand die anders is? Je bent zèlf anders, anders dan ik namelijk, en wat de norm is zullen we nog wel eens zien.

We zijn gewend dat een foto een oordeel velt en ook van ons een oordeel vraagt. Zo kijken we, maar zo keek Diane Arbus niet. Zij vertegenwoordigt het Amerika dat onsentimenteel durft te zeggen waar het op staat. Attent. Zonder mededogen, dat hoeft niet. Want je Droom, dat ben je zelf.