Nézet-Séguin dirigeert net failliet Philadelphia

Dirigent Yannick Nézet-Séguin leidt niet alleen het orkest in Rotterdam, maar ook in Philadelphia. Dat heeft, als vele andere orkesten in de VS, financiële problemen.

Yannick Nezet-Seguin bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Foto Merlin Daleman

Het allerluidste gejuich is voor Yannick. In de uitverkochte Verizon Hall in Philadelphia krijgen het Westminster Symphonic Choir en de solisten staande ovaties, na een lenige en spectaculair theatrale uitvoering van Verdi’s Requiem. Maar het publiek lijkt vooral opgelucht met de komst van de Canadees Yannick Nézet-Séguin (37) als spannende nieuwe Music Director van het Philadelphia Orchestra. Nézet-Séguin, tevens chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, lijkt te gaan slagen in een zware opgave. Er moet een streep gezet onder het getroebleerde recente orkestverleden.

Het Philadelphia Orchestra hoorde tot de Big Five van Amerikaanse orkesten, en werd geroemd om het fluwelen geluid van de strijkers en de volle koperklank. Maar in 2011 ging dit wereldberoemde orkest failliet. Het was niet het eerste Amerikaanse gezelschap in de problemen. Amerikaanse orkesten ontvangen gemiddeld 13 procent van hun inkomsten uit endowments, giften waaraan rente wordt onttrokken waarmee de lopende kosten worden betaald. De rest fungeert als buffer. Andere private giften zorgen voor nog eens 40 procent. Ter vergelijking: Nederlandse orkesten behaalden vlak vóór de recente kunstbezuinigingen gemiddeld 74 procent uit subsidies (bron: Miranda van Drie, En wat nu? De toekomst van het orkestbedrijf). De financiële crisis heeft echter een zware wissel getrokken op de Amerikaanse begrotingen. Orkesten in onder meer Atlanta, Minnesota, Cleveland, Baltimore en Detroit verkeren in financiële problemen; het Dallas Symphony Orchestra van Jaap van Zweden moest een Europese tournee annuleren.

Maar zoiets extreems als het faillissement van een beroemd orkest was nog niet eerder voorgekomen.

Imposante glazen hal

Peter Dobrin, muziekjournalist van The Philadelphia Inquirer, volgt het orkest nauwgezet. „Door de slechte economie liep het aantal donaties terug, en moest het orkest zijn endowment langzaam opeten”, zegt hij. „Onder Yannick moet nu meer geld dan ooit tevoren worden gevonden.” Het recovery plan bedraagt meer dan 200 miljoen dollar, binnen een paar jaar binnen te halen.

Toch zijn de problemen die leidden tot het – recent weer afgesloten – bankroet zeker niet alleen aan de financiële crisis te wijten. De belangstelling van het publiek liep al terug en achter de schermen ging het vaak mis. Christoph Eschenbach, de voorganger van Nézet-Séguin, vertrok in 2008 voortijdig na een conflict met de musici. Het Kimmel Center for the Performing Arts, geopend maar nog onvoltooid in 2001, is een imposante glazen hal waarbinnen een theater en een concertzaal, de Verizon Hall, zijn gevestigd, maar hoe prachtig de Verizon Hall ook is gemodelleerd naar een cello, meteen na de opening was er veel kritiek op de droge akoestiek. Anne Midgette, muziekjournalist van de The Washington Post, zegt: „De begeestering ebde weg. Daar schrik je publiek mee af. En met het onderliggende probleem worstelt bijna elk symfonieorkest in de VS én in Europa: hoe houden we het concertbezoek anno 2012 spannend en vitaal?”

Ongeacht het financieringsmodel dat wordt gehanteerd, verkeren symfonieorkesten aan beide zijden van de oceaan in moeilijkheden. Amerikaanse orkesten beschikken over veel grotere budgets. „Zo bezien zijn Nederlandse orkesten veel efficiënter”, zegt Hans Waege, directeur van het Rotterdams Philharmonisch, „we hebben bijvoorbeeld geen enorme afdeling aan fondsenwervers nodig.” Het Rotterdams Philharmonisch Orkest ontvangt jaarlijks tien miljoen euro van de overheid en genereert 4,5 miljoen euro aan eigen inkomsten. Het Philadelphia Orchestra heeft een jaarbudget van zo’n 35 miljoen euro (45 miljoen dollar) en daarnaast een endowment van meer dan honderd miljoen euro. Het ontvangt vrijwel geen geen subsidie. Kunnen Nederland en de Verenigde Staten nog iets van elkaar leren, als het om kunstfinanciering gaat? Hans Waege: „Toen het economisch voor de wind ging, konden Amerikaanse orkesten rustig teren op hun endowments en was er weinig impuls voor innovatie. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor Nederlandse subsidies. Maar de VS hebben een fundamenteel andere samenleving, waar de belastingvoet laag is en de christelijke overtuiging van schenken en doneren zeer sterk leeft. Dat kun je hier niet zomaar kopiëren.”

Conservatiever programmeren

Het Koninklijk Concertgebouworkest beschikt als enige Nederlandse orkest over een endowment van zo’n 15 miljoen euro, ondergebracht in de Stichting Donateurs, naast een jaarbudget van 25 miljoen euro waarvan de helft bestaat uit private inkomsten. „Die inkomstenverdeling is een Europees record”, zegt directeur Jan Raes. Maar ook hij ziet niets in een meer Amerikaans model. „Er zijn daar minder orkesten per aantal inwoners, die veel conservatiever moeten programmeren. De meeste dirigenten die ik spreek, werken liever in Europa dan in de VS.”

Na afloop van Verdi’s Requiem wordt Yannick Nézet-Séguin zaterdagavond backstage belegerd door bewonderaars. Hij trekt zich even terug in zijn dirigentenkamer en straalt. „Het is een fantastische start! Dat ik op dit hoge niveau muziek mag maken is een groot voorrecht. Ik schaam mij niet te zeggen dat dit orkest voor mij de nummer één in de wereld is.” Hij lacht: „Al ben ik natuurlijk ook ontzettend blij met Rotterdam, en krijgt dat orkest inmiddels eindelijk internationaal de verdiende erkenning. Dat was één van mijn belangrijkste doelen.” (Het huidige contract in Rotterdam loopt tot 2014-15, er is sprake van verlenging.)

Zijn strategie voor de toekomst, in Philadelphia én Rotterdam? „Ik wil uitverkochte zalen, meer service naar het publiek, interactie in bijvoorbeeld post concert talks, spelen op andere locaties. Je moet niet voor de zoveelste keer Beethoven uitvoeren, alleen maar omdat je niet beter weet. Het orkestpubliek overal ter wereld moet weer het gevoel hebben: dit is een uniek evenement, hier moet ik bij zijn.”