'New York vormt een ideaal decor'

Jeroen Kooijmans (1967) woonde in 2001 in New York en zag vanuit zijn appartement de Twin Towers instorten. Hij merkte hoe de kunstwereld daarna veranderde.

„New York heeft iets dat geen andere stad heeft. De energie die er heerst, geeft me als kunstenaar het gevoel in een soort vacuüm te werken. Het is een gevoel van superconcentratie, dat ik ook heb tijdens een lange vlucht. Door de architectuur heb je het idee in een surrealistische wereld te zijn, een wereld die door dat stratenplan tegelijk ook heel overzichtelijk is. Het licht is er fantastisch; door al die wolkenkrabbers weerkaatst de zon er zo mooi. En de luchten zijn er bijna altijd blauw. Voor een kunstenaar is New York het ideale decor. De stad is van zichzelf al filmisch. Of je nu fotografeert of filmt, alles wat je doet is raak.

„Op 1 september 2001 begon mijn verblijf als artist-in-residence van museum P.S.1./MoMA. Via P.S.1 kreeg ik de beschikking over een loft op de 23ste straat in Manhattan. Tien dagen later vlogen de gekaapte vliegtuigen daar laag overheen. Vanuit mijn raam zag ik de Twin Towers instorten en de rook over de stad trekken. In de maanden daarvoor waren die torens mijn voornaamste onderwerp geweest. Ik had maquettes gemaakt van hangende tuinen die ik tussen de torens wilde bevestigen. Ik had verhalen geschreven over onzichtbare mensen die in het World Trade Center woonden. Ik had zelfs een plan gemaakt voor een landingsbaan voor vliegtuigen, bovenop de torens.

„Na 11 september veranderde alles, ook voor mij persoonlijk. Het was heel vreemd, maar ik betrok die ramp totaal op mijzelf. Ik kon alleen maar heel egoïstisch denken: ik ben mijn onderwerp, mijn project kwijt. Ik was er echt door in de war. Voorheen was mijn werk luchtig en humoristisch, nu werd het opeens heel zwaar. Ik wilde geen 9/11-kunstenaar zijn, maar tegelijkertijd was het onmogelijk om 11 september los te laten. Daarbij kwam dat curatoren die aanvankelijk heel enthousiast op mijn werk gereageerd hadden, het nu opeens niet meer aandurfden om het te laten zien. Na 11 september werd er in de kunstwereld op zeker gespeeld. Die dag was echt een ommekeer.

„De kunstwereld in New York is supercommercieel. Het is net een stock market: als je het kunt betalen, wordt het alleen maar meer waard. Maar ik maak werk dat niet echt een product is. Gagosian Gallery was in mijn films geïnteresseerd, maar wilde dan wel de hele oplage beheren. Uiteindelijk is die deal niet doorgegaan. Ook dat is New York: het ene moment lig je wakker van de gedachte dat je misschien wel een loft kunt kopen, het volgende moment bijt je weer op een houtje. Je kunt er in de kroeg een beroemd iemand tegenkomen en even het gevoel hebben erbij te horen. Die energie, het gevoel dat het kan gebeuren, is in New York altijd aanwezig. Maar je moet wel aan het circus mee willen doen. Je moet tijdens etentjes met verzamelaars als een aap op tafel dansen. Voor mij is dat niet weggelegd.

„Ik was aanvankelijk van plan om na mijn residency in New York te blijven. Maar het beleid van George Bush, en vooral zijn uitspraak dat je ofwel voor ofwel tegen Amerika was, stond me zo tegen dat ik ben weggegaan. Het voelde als liefdesverdriet. Zo van: het had zo mooi kunnen zijn. Sindsdien ben ik er wel jaarlijks teruggekeerd. De stad blijft als een magneet aan me trekken.”