Nederland interrailt terwijl de VS studeert

Fransen eten kaas zonder dik te worden, Nederlanders gaan met vakantie, maar in de VS begrijpen ze niets van die kwaliteit van leven, betoogt Pepijn Vloemans.

The Story of Stuff is een populaire animatiefilm uit 2007 waarin de Amerikaanse consumptiemaatschappij in twintig minuten tot de grond toe wordt afgebrand. Poppetjes kopen spullen, werken in fabrieken en... winkelen. Een mooie animatie betreft een poppetje dat na een lange dag werken neerploft op de bank voor de televisie, waarop hij reclame ziet die hem weer op het idee brengt dat er geshopt moet worden; na het shoppen moet hij weer werken om geld te verdienen. Het is een verhaal met een moraal. Amerikanen werken veel, hebben weinig vrije tijd, en gebruiken die om televisie te kijken en te winkelen. Amerikanen shoppen gemiddeld drie keer zo lang als Europeanen. „We zijn een natie van consumenten geworden”, verzucht bedenker en vertelster Annie Leonard. Het filmpje werd een hit en haalde zelfs de voorpagina van de New York Times. Maar zo veel vraagtekens plaatsen bij het nationale tijdverdrijf was tegen het zere been van een middelbare school in Montana. De schooldirectie besloot de vertoning te verbieden. De American Family Association, een christelijke denktank, noemde de film ‘anti-Amerikaans’ omdat die Amerikanen afschildert als ‘hebzuchtig’ en ‘egoïstisch’.

Toch is de winkel-en-werk-scène voor mij als Europeaan een schappelijke typering van de Amerikaanse lifestyle. Volgens de OESO werken Amerikanen gemiddeld 1778 uur per jaar; de Nederlander gemiddeld 1377 uur. Vakantie is een zeldzame luxe voor de Amerikaan. Een wekenlange zomervakantie zoals wij die kennen – en waar we graag inkomen voor opofferen – is voor de Amerikaan een nauwelijks te bevatten Europees mysterie, van hetzelfde kaliber als Fransen die kaas eten zonder dik te worden. Amerika mag dan de rijkste natie op aarde zijn, van kwaliteit van leven hebben Amerikanen weinig kaas gegeten. Ze kiezen kwantiteit boven kwaliteit. Dat dit geen cliché is, bleek toen ik afgelopen winter met een groepje studenten de voorverkiezingen in New Hampshire bezocht. Ook toen viel me het me weer op: de grote snelwegen, de kruispunten ter grootte van landingsbanen, reusachtige auto’s voor de gigantische huizen en de enorme porties eten. Na een formidabele maaltijd in een pizzeria (de ober informeerde na afloop of ik ‘klaar was’ met ‘de werkzaamheden aan mijn bord’) krijgen we geen dessert, maar een mand chocoladekoeken voorgeschoteld. En een espresso is buiten New York niet te krijgen: het liefst drinken ze de hele dag sloten slappe koffie to go. De Amerikanen zijn verzot op het mateloze, op de oneindige refill van een diet coke, op de supersize-menu’s, de bijna gratis benzine aan de pomp voor hun gas guzzling SUV’s. De obsessie met consumptie, met meer en grotere spullen tekent ook hun academische opvatting over wat welvaart precies inhoudt. Dat ervoer ik toen we later tijdens de reis het American Enterprise Institute in Washington bezochten, de conservatieve denktank die Republikeinse regeringen souffleert en Ayaan Hirsi Ali onderdak biedt. De overheersende gedachte in deze kringen is dat vooruitgang materieel van aard is. Meer geld, meer goederen – dat is de objectieve maatstaf van welvaart. De verdeling doet er niet toe: de economische vloed doet alle bootjes stijgen. En dat de allerrijksten nog meer gaan verdienen is alleen maar goed, want die rijkdom ‘sijpelt’ vanzelf naar de armen. Het zijn krachtige metaforen – je ziet het water stijgen en sijpelen – maar met de realiteit heeft het inmiddels niet veel meer uit te staan. Dat er armoede bestaat in de VS werd stellig ontkend. „De armen van nu hebben het beter dan de koningen van vroeger”, zei de econoom die ons te woord stond zonder een spoor van ironie.

De definiërende metafoor is natuurlijk de Amerikaanse droom. De droom is bekend en verloopt volgens een ijzeren scenario: de krantenjongen bewijst zich door hard te werken, blijft dat zijn hele leven doen en wordt zo een onafhankelijke miljonair. Maar de droom wordt nagejaagd om de nachtmerrie van diep sociaal-economisch vallen te verdrijven. Juist door het gebrek aan vangnetten aan de onderkant en de gouden bergen aan de bovenkant gaan mensen aan de slag. Amerikanen verkiezen competitie boven coöperatie en houden elkaar gevangen in een cultuur van hard werken. Op kantoren is face time daar de exponent van het aanwezig zijn om het aanwezig zijn. Alleen zo kan de promotie gemaakt worden die de bakken met geld zullen binnenbrengen die weer nodig zijn om de kinderen naar een fatsoenlijke privéschool te sturen. Alleen private rijkdom kan de voorzieningen van goede zorg tot goed onderwijs garanderen. Ook hier klampen de Amerikanen zich vast aan een business-friendly ideologie: een minimale overheid en een flexibele arbeidsmarkt zijn goed voor (de aandeelhouderswaarde van) bedrijven. Bij tegenvallende jaarcijfers kan er snel personeel ontslagen worden en belastingen zijn laag.

In de ogen van Amerikanen zijn Europeanen lui en decadent geworden door de verzorgingsstaat. Luxe fratsen als ontslagbescherming en gezondheidszorg maken de Europeanen afhankelijk en passief. Vrije tijd is voor mietjes, hoge belastingen vernietigen het arbeidsethos. Dit begint al tijdens de duurbetaalde studie. Terwijl de Nederlandse student onbekommerd door Europa interrailt, zwoegt zijn of haar ambitieuze Amerikaanse evenknie tijdens de zomermaanden op een internship of een summer school om het cv extra op te poetsen. Logisch: de Amerikaanse droom biedt geen plaats voor lanterfanters.

Toch hebben de Amerikaanse droom en de bijpassende ideologie van de vrije markt niet geleid tot de beoogde eerlijke economie waarin iedereen een eerlijke kans krijgt. Sterker nog: de Amerikaanse droom ligt inmiddels in duigen – Occupy was daar het eerste symptoom van. De kans dat een dubbeltje een kwartje wordt, ook wel ‘sociale mobiliteit’ genoemd, is in Noord-Europese landen groter dan in Amerika. Tegelijkertijd wordt de American way of life, waarin consumptie centraal staat en waarin vrijheid betekent dat je eindeloos veel spullen kan kopen, bedreigd. Deze droom is gebaseerd op goedkope grondstoffen en energie en die raken op, moeten gedeeld worden met opkomende supermacht China, of moeten met vliegdekschepen en andere militaire macht veilig gesteld worden. Het verhaal dat de Amerikanen zichzelf verteld hebben, blijkt niet langer te rijmen met de werkelijkheid.

Amerika heeft in een droom geleefd en wordt nu wakker met een kater. Het zijn de (Noord-) Europeanen die beter begrijpen hoe je moet leven en wat echte rijkdom betekent. De Scandinavische landen met hun grote overheden voeren al jaren de ranglijsten aan van geluk, vrijheid en kansen voor iedereen. Duitsland begrijpt dat een – kostbare – Energiewende noodzakelijk is voor blijvende voorspoed. Door hun materiële, beperkte opvatting van vooruitgang vergaten de Amerikanen dat de economie uiteindelijk als doel heeft de behoeften van mensen te bevredigen, niet de totale hoeveel geproduceerde spullen te vergroten.

Maar Amerikanen willen het niet horen. Niet van Annie Leonard en haar ‘anti-Amerikaanse’ Story of Stuff, maar zeker niet van hun politieke leiders. De enige zittende president die voorzichtig vraagtekens plaatste bij de Amerikaanse levensstijl was Jimmy Carter. In 1979, vlak na de tweede oliecrisis, gaf hij een berucht geworden speech waarin hij de consumptiemaatschappij hekelde en de volgende woorden sprak: „Het vergaren van goederen kan niet de leegheid van levens vullen die geen vertrouwen of doel hebben.” Toen hij ook nog suggereerde dat Amerikanen wat zuiniger aan moesten doen met benzine was het duidelijk: de pessimistische Carter zou nooit herkozen worden. We weten hoe het afliep: het werd de optimistische Reagan, die opnieuw gouden bergen beloofde. Zodat de Amerikanen weer lekker konden wegdromen.

Pepijn Vloemans (1984) studeerde filosofie aan de Katholieke Universiteit Leuven, behaalde bachelors in Rechten en Filosofie aan de UvA en een Master in Internationaal Milieurecht aan de Universiteit van Nottingham. Hij is medewerker van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks