Limousines in Hell’s Kitchen

New York blijkt nog altijd het kloppend hart van de internationale kunstwereld. Een rondgang langs de belangrijkste spelers op de kunstmarkt.

Hell’s Kitchen. Het zijn misschien wel de laatste rafelranden van Manhattan, de paar stratenblokken tussen de Hudson rivier en het Empire State Building die samen de wijk Hell’s Kitchen vormen. Het is een buurt die Amerikanen als gritty – rauw – zouden omschrijven. Je vindt er kleine garagebedrijfjes en opslagplaatsen, maar ook verlaten stukken spoorrails en braakliggende stukjes grond waarop afgedankte koetsen en taxi’s zijn achtergelaten. Niet bepaald een plek waar je rijke kunstverzamelaars zou verwachten.

Toch is deze urban jungle voor galeriehouder Sean Kelly de plek van de toekomst. Tot voor kort had hij een tentoonstellingsruimte in Chelsea, de galeriewijk die slechts zes stratenblokken zuidwaarts ligt. Maar Kelly is ervan overtuigd dat Hell’s Kitchen het nieuwe Chelsea gaat worden. Daarom opent hij er deze week een galerie die meer dan drie keer zo groot is als zijn vorige ruimte. Sterker nog: met zijn ruim 2.000 vierkante meter is Sean Kelly in één klap de grootste galerie van New York geworden.

Die expansiedrift is tekenend voor deze tijd. Sean Kelly, van oorsprong een Brit, behoort samen met Larry Gagosian en David Zwirner tot de New Yorkse ‘powerhouse galleries’ die totaal geen last lijken te hebben van de economische crisis. In de afgelopen jaren probeerden ze hun macht in de kunstwereld te versterken door topkunstenaars bij andere galeries weg te kapen en uit te breiden met nieuwe filialen – Gagosian heeft nu wereldwijd dertien vestigingen, Zwirner is net een nieuwe galerie in Londen gestart.

Kelly investeert vooral in vierkante meters. Het monumentale pakhuis uit 1914, waarvan hij de onderste twee verdiepingen heeft verbouwd, heeft meer weg van een museum dan van een galerie. De tentoonstellingszalen hebben een hoogte van vijf meter, er is een ‘black box’ voor videokunst, een enorme bibliotheek, een atelier voor restaurateurs en een depotruimte die door middel van transportliften in verbinding staat met de expositieruimte. Aan de achterzijde van het gebouw kunnen vrachtwagens hun kostbare lading veilig de depots binnenrijden. Ook bevindt zich daar een privé ingang voor verzamelaars die hun kunst liever discreet aankopen. Zij worden via een privélift naar de ‘private viewing rooms’ geleid. „Het leeuwendeel van de handel vindt hier plaats”, zegt Kelly. „De expositieruimte is er vooral voor de kunstenaars.”

Zijn besluit om te gaan verhuizen was vooral pragmatisch, vertelt Kelly. „In onze oude ruimte kon het personeel niet tegelijkertijd zitten. Daar werkten vijftien man, hier is ruimte voor 35 medewerkers. Daarbij kwam dat ons oude huurcontract afliep. En een ruimte als deze vind je niet in Chelsea.” Kelly is ervan overtuigd dat andere galeries hem snel zullen volgen. Zeker als Hell’s Kitchen straks wordt omgedoopt tot het vriendelijker klinkende Hudson Yards en een eigen metrostation krijgt. Ook zijn er plannen om de High Line, het stadspark op het oude spoorviaduct, door te trekken tot de 34ste Straat. Kelly: „Nu ben ik nog een pionier. Maar de huren in Chelsea rijzen de pan uit. Het is een kwestie van tijd voordat iedereen hierheen trekt.”

Soho. In New York merk je op het eerste gezicht maar weinig van de recessie. In de musea ziet het zwart van de mensen en ook in de galeries is het een komen en gaan van bezoekers. Veilinghuizen melden bijna wekelijks dat weer een kunstenaar zijn eigen veilingrecord verbroken heeft. Voor buitenstaanders is het een ontwikkeling die maar moeilijk te begrijpen is. Enerzijds lees je al jaren alarmerende krantenkoppen over de financiële crisis in Europa en Amerika. Anderzijds melden diezelfde kranten dat er op de kunstmarkt het ene na het andere record aan flarden gaat. Elf van de twintig duurste werken ooit geveild wisselden na 2008 van eigenaar. Daaronder ook de top drie van werken boven de 100 miljoen dollar, die alle drie na 2010 zijn verkocht.

„Het zegt iets over de rijkdom van de superrijken, die alleen maar groter wordt”, vertelt Charlotte Burns, kunstmarktverslaggever van The Art Newspaper, in haar kantoor in de vroegere galeriewijk Soho. „Uit het recente World Wealth Report van Capgemini blijkt dat er in 2011 alleen maar méér ‘high net worth individuals’, mensen met minstens 1 miljoen dollar aan kapitaalkracht, bij zijn gekomen.” En de grootste concentratie van kapitaal bevindt zich nog altijd in de Verenigde Staten, al neemt het aantal superrijken in China, Brazilië en Saoedi-Arabië snel toe. „Rijkdom is meer over de wereld verspreid dan ooit tevoren”, zegt Burns. „En dat heeft ook een duidelijk effect op de kunstmarkt. Nieuwe economieën, met minder gevestigde financiële markten, investeren meer in luxeproducten als wijn, juwelen en kunst.”

Topgaleries en veilinghuizen gaan de economische crisis te lijf door die nieuwe geldstromen te volgen. The Art Newspaper berekende onlangs dat de dertien filialen van Gagosian – in onder meer Londen, Hongkong en Rio – in totaal 14.200 vierkante meter beslaan. „Dat is meer dan de 13.500 vierkante meter van een museum als Tate Modern”, aldus Burns. „Het bevestigt dat de kunsthandel, ondanks het internet, nog steeds afhankelijk is van gebouwen van bakstenen en cement. Klanten waarderen het persoonlijke contact. Op internet koopt men vooral laaggeprijsde kunst. Maar een schilderij van 4 miljoen dollar willen verzamelaars toch graag eerst in het echt zien.”

Galeriehouder Sean Kelly beaamt dit. „Anders dan in de muziek- en de filmwereld heeft het internet op de kunstmarkt weinig effect. Zij kunnen hun product maar moeilijk beschermen. Wij kunnen dat wel. Daarom is het vertrouwen in kunst zo groot.” Daar komt bij, zegt Kelly, dat veel mensen door de crisis hun vertrouwen in de banken compleet verloren hebben. Liever dan in aandelen of onroerend goed investeren de vermogenden hun geld in een kunstcollectie. „Het rendement op kunst is zó enorm, daar kan geen aandelenkoers aan tippen. Als je in 1960 een schilderij kocht van Jasper Johns voor tweeduizend dollar en datzelfde werk is nu twee miljoen waard, dan is dat een ongelofelijke winst. En het leuke van kunst is: als je het niet kunt verkopen, heb je altijd nog iets moois om aan de muur te hangen.”

Hij zit nu dertig jaar in het vak, vertelt Kelly, en heeft in die tijd drie crisissen meegemaakt. „Maar na iedere catastrofe komen we er weer sterker uit. Ook na 9/11. Toen merkte ik dat mensen zich meer terugtrokken in hun eigen huis. Ze wilden een warm nest, met mooie dingen om zich heen. Amerika is en blijft een consumptiemaatschappij. Ook al is het crisis, Amerikanen kunnen hun handen nooit lang op de knip houden.”

Upper East Side. Nergens anders is de rijkdom van New Yorkers zo goed zichtbaar als in de wijk Upper East Side. De etalages langs Madison Avenue zijn gevuld met spullen van Armani, Chanel en Valentino. En in de zijstraten bieden rode lopers en zwarte portiers toegang tot ’s lands duurste appartementencomplexen. De kunsthandel Wildenstein & Company, gevestigd in een statig pand aan 64th Street, is al decennialang een vast adres voor de rijke families die hier resideren. De Rockefellers, de Getty’s en de Rothschilds, allemaal waren ze er klant. Wildenstein onderscheidt zich van andere kunsthandels door de gigantische eigen verzameling, die opgeslagen ligt in depots in Zwitserland, upstate New York en hier, aan de 64ste Straat. Wat zich precies in de kluizen bevindt, is geheim, maar de geschatte waarde van de collectie ligt rond de 10 miljard dollar.

De marmeren entree van Wildenstein, waar schilderijen van George de la Tour de muren sieren, staat in schril contrast met het industriële karakter van een kunstwijk als Chelsea of Hell’s Kitchen. „Maar reken maar dat de limousines regelmatig van de Upper East Side naar die gritty buurten aan de andere kant van de stad rijden om kunst te kopen”, zegt de Nederlander Nanne Dekking, sinds 2001 vice-president van Wildenstein. „Die enorme tegenstellingen, dat is nu juist wat er zo leuk is aan New York.” Hij knijpt zichzelf nog vaak in de arm, geeft Dekking toe, als hij weer eens een penthouse aan Fifth Avenue binnenloopt waar de Rauschenbergs en Monets in veelvoud aan de muur hangen. „Dat went nooit.”

Over wie zijn klanten zijn, kan hij niets zeggen. Maar ter illustratie geeft hij een artikel mee uit de New York Post over een pand aan de 67ste Straat, waar de appartementen vanaf 22 miljoen dollar te koop zijn en waar Estée Lauder-erfgenaam Leonard Lauder het penthouse bewoont. „Wat ik je wel kan zeggen is dat Lauder de grootste verzameling kubisten ter wereld heeft, met de mooiste Fernand Légers die er bestaan. Pal onder hem woont de grootste verzamelaar op het gebied van Italiaanse schilderkunst uit de dertiende en veertiende eeuw. Dat is dus drie straten hier vandaan. En zo kan ik nog wel even doorgaan. In een straal van een paar honderd meter wonen talloze collectioneurs. Dat heb je nergens anders ter wereld.”

Die dichtheid van superrijken gecombineerd met het enorme kunstaanbod maken dat New York nog altijd dé hoofdstad van de kunstwereld is, meent Dekking. „De infrastructuur is hier zo gigantisch, met al die honderden galeries en de vele musea die ook nog eens heel actief kunst aankopen. Dat haalt een andere stad niet zomaar in. Anders dan in Europa zijn de Amerikaanse verzamelaars ook heel hecht verweven met die infrastructuur. Ze vormen de bestuursleden van de musea en dragen vaak grote bedragen bij aan sponsoring. Zo’n David Rockefeller die 100 miljoen dollar weggeeft aan het MoMA, dat kun je je in Nederland toch niet voorstellen?” Kunst is in Amerika een lifestyle, zegt Dekking. „Als je rijk bent, is er in New York no cheap way out. Je geeft aan goede doelen, draagt je steentje bij als vrijwilliger, en je hebt kunst aan de muur. Je kunt niet, zoals in Nederland, wat goedkope reproducties inlijsten. Daar kom je hier echt niet mee weg.”

Ook bij Wildenstein gaan de zaken nog altijd goed. Dekking merkt alleen een terugloop in het middensegment van de kunstmarkt. „Schilderijen van 1 miljoen verkoop ik niet veel meer. Maar de echte rijken blijven kopen.

Sinds de laatste bankencrisis zijn ze op zoek naar veilige manieren om hun geld te parkeren. Het topsegment is niet aan te slepen. Vroeger wilder iedereen een Waterlelie-schilderij van Monet, maar die zijn er niet meer. Dus wordt er een nieuw topsegment gecreëerd. De prijzen voor Bruce Nauman, Donald Judd, Agnes Martin, Andy Warhol en Jeff Koons zie je nu snel stijgen. Door de nieuwe Russische kopers is ook de Franse achttiende-eeuwse schilderkunst weer helemaal terug. Mensen zijn heel erg zoekende: wat wordt de nieuwe hype? Maar er zijn nog zo veel werken om ontdekt te worden. Kijk bijvoorbeeld naar de beeldhouwkunst, die is tot nu toe grotendeels over het hoofd gezien. De voorraad is nog lang niet op.”

Doordat Wildenstein die enorme eigen collectie heeft, hoeft het bedrijf niet mee te gaan met hypes, maar kan het zijn werken lang bewaren. Zo leveren ze uiteindelijk het meeste op. „Die inventaris is de luxe die wij hebben”, zegt Dekking. „We wachten vaak net wat langer met doorverkopen.”

Een ander voordeel is de discretie waarmee bij Wildenstein gekocht kan worden. Dekking: „Een veiling is een publieke aangelegenheid. Als koper voel je er de druk om snel te beslissen. Hier kunnen wij de klant in alle rust over de kunstwerken vertellen. Ik ken de smaak van mijn klanten, ik neem ze mee op reis naar musea. Het contact is heel persoonlijk.”

Midtown. Dat klanten er prijs op stellen om discreet, buiten het oog van de camera’s, hun geld uit te geven aan dure kunst, weten ze inmiddels ook bij veilinghuizen als Sotheby’s en Christie’s. Naast traditionele veilingen worden daar steeds vaker ‘private selling shows’ georganiseerd – tentoonstellingen met werken die in bruikleen worden gegeven door verzamelaars of afkomstig zijn uit nalatenschappen. Sotheby’s heeft daartoe vorig jaar in haar hoofdkantoor aan York Avenue een galerieruimte ingericht met de naam S/2. De tentoonstellingen hebben er een museale allure, met werken van topkunstenaars die door een gastcurator thematisch zijn gegroepeerd. Met dit verschil dat alle kunst, mits er een goed bod wordt neergelegd, te koop is.

Ook Christie’s heeft sinds kort een Private Sales Gallery, indrukwekkend gevestigd op de twintigste verdieping van het Rockefeller Center. Door de metershoge vensters rondom heb je een schitterend uitzicht op de wolkenkrabbers van Midtown en de lichtreclames van Times Square. Daartussen hangen topwerken van New Yorkse schilders als Richard Artschwager, Jasper Johns, Ellsworth Kelly, Robert Mangold en Willem de Kooning – allemaal gemaakt in de jaren zeventig, toen schilderen een tijdlang ‘highly unpopular’ was. De tentoonstelling is samengesteld door de bekende kunstcriticus Robert Pincus-Witten en zou in een museum als het Stedelijk of het MoMA niet hebben misstaan. Er zijn goed gekozen bruiklenen en informatieve zaalteksten, er is een fraaie en helder geschreven catalogus.

„Alleen een veilinghuis zijn, is niet meer voldoende”, zegt Sara Friedlander, hoofd naoorlogse en contemporaine kunst bij Christie’s. „Wij zijn nu een kunstbedrijf in de breedste zin des woord. De kunstwereld is steeds meer een conglomeraat geworden van musea, galeries, kunsthandels en veilinghuizen. De grenzen daartussen vervagen. Ik kijk bijvoorbeeld goed naar wat de musea doen, wie krijgen er belangrijke soloshows?”

Vroeger, vertelt Friedlander, kwamen de topstukken als vanzelf naar Christie’s toe door wat in het veilingwezen ‘de vier D’s’ worden genoemd: death, divorce, debt en deaccession (het afstoten van collectiestukken door musea). „Maar tegenwoordig moeten we actief op zoek naar werken die nieuw en fris zijn, naar werken van kunstenaars met een buzz.” Zo is Friedlander voor de komende najaarsveilingen op 14 en 15 november op zoek naar een groot werk van de Ghanese kunstenaar El Anatsui, die in februari zijn eerste solo in het Brooklyn Museum krijgt. „Ik wil hem goed in de markt zetten, bijvoorbeeld door paginagroot te adverteren in het tijdschrift Art in America.”

Het is een misverstand te denken dat veilinghuizen alleen geïnteresseerd zijn in grote namen, in de zogenaamde ‘blue chip artists’, zegt Friedlander. „Ik ben juist op zoek naar vergeten kunstenaars. Zo heb ik er bewust voor gekozen om geen Basquiat op de cover van onze najaarscatalogus te zetten, maar een werk van de veel onbekendere Jack Goldstein. Hij was een conceptuele kunstenaar uit de jaren tachtig die in 2003 veel te vroeg overleed en veel meer waardering verdient dan hij tot nu toe heeft gekregen. De prijzen van zijn werk zouden wel omhoog mogen en hopelijk kan ik daarvoor zorgen.”

Zowel bij Christie’s als bij Sotheby’s zijn de ‘private sales’ nu goed voor ongeveer 20 procent van de omzet. Het nieuwe businessmodel is een bittere noodzaak voor de veilinghuizen, want ondanks de records in het topsegment lopen de verkopen via klassieke veilingen terug. Om diezelfde reden zijn de veilinghuizen ook naarstig op zoek naar nieuwe afzetmarkten. Zo organiseerde Christie’s onlangs onder meer tentoonstellingen in olierijke landen als Saoedi-Arabië en Azerbeidzjan. Ook ontfermen ze zich steeds vaker over de nalatenschappen van kunstenaars, iets wat voorheen vooral een taak was van galeries. In september kocht Christie’s voor 100 miljoen dollar ongeveer 20.000 werken uit de nalatenschap van Andy Warhol. Die wil het veilinghuis de komende jaren verspreiden via veilingen, internetverkoop en de privégalerie.

Kunsthandelaren en galeriehouders vinden dat de veilinghuizen te veel in hun vaarwater zijn gaan zitten en klagen over broodroof. „Er is in de hedendaagse kunst veel geld te verdienen”, zegt Sean Kelly. „En als er bloed is, komen de haaien. Dat is waarom veilinghuizen nu ook exposities organiseren. Ze willen graag een graantje meepikken. Veilinghuizen zijn maar in één ding geïnteresseerd: zo snel mogelijk zo veel mogelijk geld verdienen. Kunstenaars een leven lang begeleiden is niet hun doel. Dat past niet in hun businessmodel.”

Bij Christie’s reageren ze laconiek op die kritiek. „De kunstmarkt is een industrie als alle andere”, zegt Sara Friedlander. „En dus is het een uiterst competitieve aangelegenheid.”

China. Een van de spelers die zich graag in de New Yorkse concurrentiestrijd wil mengen, is het Chinese veilinghuis China Guardian. Het bedrijf, in 1994 opgericht in Peking en nu al het vierde veilinghuis ter wereld, heeft sinds 1 januari 2012 ook een kantoor in New York. Aan het deftige Park Avenue in de Upper East Side ontvangt Richard He zijn klanten in twee krappe kamertjes die volhangen met reproducties van records brekende Chinese schilderijen. Zoals het landschap van Qi Bashi dat afgelopen oktober nog in Hongkong geveild werd voor 5,2 miljoen dollar. De meesten van zijn klanten zijn New Yorkse Chinezen, afkomstig uit oude rijke families, vertelt He. „Maar dankzij recente artikelen in The New York Times en de Wall Street Journal krijg ik ook steeds meer westerlingen over de vloer.”

Trots vertelt He over de exponentiële groei die China Guardian sinds 1994 heeft doorgemaakt. „Toen bracht onze eerste veiling 11 miljoen dollar op, nu hebben we een jaaromzet van 1,7 miljard.” Ter vergelijking: Sotheby’s en Christie’s zetten in 2011 ieder 5,7 miljard dollar om. He: „In China is er nauwelijks crisis. Chinezen worden steeds rijker. Twintig jaar geleden werkten Chinezen alleen om te overleven. Nu hebben ze geld over om ook naar concerten te gaan en om kunst te kopen. Je ziet dat vooral voor de middenklasse kunst een levensstijl aan het worden is, een persoonlijke hobby.”

Cijfers wijzen uit dat China hard op weg is om Amerika in te halen als kunstgrootmacht. Volgens kunsteconoom Clare McAndrews is China in 2011 de Verenigde Staten zelfs al voorbijgestreefd. In haar rapport The International Art Market in 2011 schat ze dat China goed is voor dertig procent op de kunstmarkt, tegen 29 procent Amerikaans marktaandeel. En de groei van de Chinese kunstmarkt is enorm, met 177 procent in 2010 en 65 procent in 2011. Zes van de tien best verkopende kunstenaars in 2011 waren Chinezen.

Maar cijfers zijn niet alles, vinden de New Yorkse kunsthandelaren. Er is ook nog zoiets als een kunstklimaat. En dat is in Amerika nog altijd vele malen beter dan in China, zegt Charlotte Burns. „Als je kijkt naar de schaal van de commerciële sector, naar de tentoonstellingen die musea tonen en naar de kunstenaars die er wonen, dan is New York nog steeds de hoofdstad van de kunstwereld.”

Ook Nanne Dekking vindt dat de opkomst van de Chinese markt erg wordt overdreven. „Er wordt in China dan misschien net zoveel uitgegeven aan kunst als in de VS, het gaat daar om gemiddeld lage bedragen. Een Chinees geeft gemiddeld slechts 1200 dollar per werk uit. Maar het topsegment, ook het werk van Chinese kunstenaars als Zhang Xiaogang en Zeng Fanzhi, wordt nog steeds verkocht door Amerikaanse bedrijven. Andersom wordt er nauwelijks Amerikaanse kunst door Chinezen verhandeld. Er is dus geen sprake van kruisbestuiving.” Typerend is ook, zegt Dekking, dat de dollar nog altijd de leidende munt is in de kunsthandel. „En dat zal voorlopig zo blijven.”

Sean Kelly is al net zo stellig: „New York is nog steeds de grootste en meest vitale kunststad ter wereld. Chinezen kopen vooralsnog alleen Chinese kunst en zolang ze zo nationalistisch blijven, zullen ze die koppositie nooit kunnen overnemen. Daarbij komt dat China nog steeds een repressief land is. Kijk naar de manier waarop de overheid met kritische geesten als Ai Weiwei omgaat. Zo’n land zal nooit een levendig kunstcentrum worden.”

Zelfs Richard He moet toegeven dat het Chinese succes nog te pril is om te beoordelen of de invloed op de internationale kunstmarkt blijvend zal zijn. Het grote verschil tussen de Chinese en de Amerikaanse markt, zegt He, is dat Chinezen kunst nog voornamelijk als een investering zien. „In China zijn er meer speculateurs dan verzamelaars. Ik gok dat de verhouding 80-20 procent is, terwijl het in New York precies andersom is. Omdat investeren in kunst in China nog zo relatief nieuw is, is het ook risicovol. De kans bestaat dat als het economisch even tegenzit, de Chinezen hun kunst ook massaal weer op de markt gaan gooien. In Amerika is dat risico minder groot. Amerikanen houden echt van kunst, Chinezen moeten dat nog bewijzen.”