Japanse hulp gaat overal heen, maar niet naar de slachtoffers

Een groot deel van de miljarden die de Japanse regering ter beschikking had gesteld voor wederopbouw van de noordoostelijke kustgebieden die vorig jaar werden getroffen door de aardbeving en de daaropvolgende tsunami, is besteed aan projecten die niets met de slachtoffers hebben te maken.

Dit bleek gisteren uit een controle die de regering had laten uitvoeren. Een deel van totale bedrag ter waarde van 115 miljard euro is besteed aan een wegenproject op Okinawa, bijna 2.000 kilometer ten zuidwesten van het rampgebied. Een ander deel ging naar een lenzenfabriek in het binnenland en weer een ander deel naar de training van piloten. Het ministerie van Justitie wilde geld uit het budget voor een campagne „om het publiek gerust te stellen” over de risico’s bij grote rampen.

Premier Yoshihiko Noda erkende maandag al in het parlement dat de regering is tekortgeschoten bij het toezicht. „We moeten luisteren naar degenen die zeggen dat wederopbouw de eerste prioriteit hoort te zijn”, aldus Noda.

In het kustplaatsje Rikuzentakata bij voorbeeld, waar 1.800 mensen werden gedood en 40 procent van alle huizen werd weggevaagd, moet de wederopbouw nog beginnen. „In negentien maanden tijd is er eigenlijk niets veranderd”, zei locoburgemeester Takashi Kubota. „Er is nog altijd niet één nieuw gebouw.”

Van de 340.000 mensen die de getroffen kustgebieden of het gebied rond de ernstig beschadigde kerncentrale van Fukushima Dai’ichi moesten ontruimen, wonen er nog altijd ruim 325.000 tegen hun zin in tijdelijke accommodatie.

De helft van het beschikbare budget is nog helemaal niet uitgegeven. Volgens veel waarnemers is de pijnlijke onthulling omtrent de besteding van de fondsen typerend voor de huidige economische en politieke malaise in het land. „Dit is een uiting van de onverschilligheid van de regering jegens de wederopbouw”, zei Masahiro Matsumura, hoogleraar aan de St Andrews University in Osaka. „Ze zijn heel goed in het maken van excuses.” (AP, BBC)