Indianen: we zijn er nog

De kunst van de Noord-Amerikaanse Indianen is niet statisch. Voor en na Columbus waren er grote veranderingen. De overheid bevorderde in de vorige eeuw typische Indianenkunst.

Doos van de Anishinaabe, gemaakt als souvenir voor toeristen, Michigan 1840/1850

Het is een klein potje, een potje van niks, zo’n potje dat zelfs op Koninginnedag niet verkocht zou worden; tegen de avond gaat het al jaren weer mee naar huis. Kun je medelijden hebben met een potje? Het oogt zo schamel, zo armetierig, zo nietig. Toch zou je met enige goede wil in de zwartgrijs gewolkte klei waarvan het gemaakt is, donderwolken kunnen zien. En ook al is het niet oud, dit is een potje met geschiedenis. Véél geschiedenis, zelfs; van de prehistorie naar 1492, naar 1607 en 1646, jaartallen die allemaal met het potje te maken hebben. En zo zijn er ook decennia met het potje verbonden, de jaren dertig van de vorige eeuw, de jaren zeventig.

Ik koop het potje aan de oostkust van Amerika, tussen de hoofdstad Washington en Jamestown, de eerste permanente Engelse kolonie in Amerika, gesticht in 1607. Ooit moet Pocahontas hier gelopen hebben, de dochter van Indianenleider Powhattan, die al eeuwen tot de verbeelding van vooral witte Amerikanen spreekt. De gelijknamige Disneyfilm uit 1995 maakte van het eerste contact tussen Engelsen en Indianen een liefdesgeschiedenis. Pocahontas ligt begraven in een Engelse kerk. Powhattan ligt hier begraven in een heuvel met uitzicht op een meer, althans volgens de legende. Er mag hier van de Indianen geen archeologische opgraving worden gedaan.

Ouder dan de VS

Powhattan ligt op het reservaat van de Pamunkey, een stam die in de zestiende eeuw deel uitmaakte van de Powhatan federatie. We rijden in een busje naar het centrum van het dit reservaat, dat nu nog maar vijf km2 groot is. Het reservaat is ouder dan de Verenigde Staten zelf. In 1646 sloot de stam een verdrag met de Engelse koning. Ze stonden land af aan de kolonisten in Virginia en kregen de garantie dat zij niet meer aangevallen zouden worden. ,,Ons gebied is steeds kleiner geworden´´, zegt chief Kevin Brown, de huidige leider van de Pamunkey. Op het reservaat wonen nu zo’n driehonderd mensen. Nog altijd betalen ze de gouverneur van Virginia elke jaar in november een tribuut. „Dan gaan we in vol ornaat naar Richmond en bieden de gouverneur een hert of een ander dier aan dat we op ons gebied geschoten hebben.”

Brown vertelt in het oude schoolgebouwtje op het reservaat aan een groepje journalisten dat hier door de Nieuwe Kerk in Amsterdamnaartoe is gehaald. In de kerk wordt in december een grote tentoonstelling geopend met kunst van de Indianen van Noord-Amerika. Het potje zal daar niet bij zijn; wel houtsnijwerk van het noordwesten, weefsels uit het zuidoosten en stenen beelden uit Alaska.

Het thema van de tentoonstelling is het handhaven van tradities, zegt David Penny, gastconservator van de Nieuwe Kerk. Hij selecteerde kunst uit zeven regio’s in Noord-Amerika die na Columbus wel veranderd is, maar niet verdwenen. Penny spreekt van een „ononderbroken keten van kunstenaars, die de traditie in stand hebben weten te houden door hem steeds aan te passen.”

Als voorbeeld noemt hij onder meer de borduurkunst met stekelvarkenstekels uit het grote Merengebied. Stammen als de Menomee versierden met geverfde stekels schoenen en kleding. Na de komst van de Europeanen begonnen ze er kistjes en tassen mee te versieren, die als souvenir verkocht werden.

Penny is verbonden aan het National Museum of the American Indian. Dit museum werd in 2004 geopend aan de Mall in Washington, waar ook de National Gallery of Art en het National Museum of American History zijn gevestigd; het is het hart van de natie. Het gebouw van het NMAI valt op de Mall uit de toon: het is geen neoclassistische orgie vol zuilen zoals de meeste musea aan de voet van het Capitool, maar een organisch golvend gebouw van lichtgele steen. Links van de deur staan twee moderne totempalen. „We are still here’’, is de titel. „We zijn er nog.”

Groene jas

Ook op het reservaat van de Pamunkey is een museum. Het is een klein gebouwtje dat in 1979 werd geopend, na de revival van de Indiaanse cultuur in het kielzog van de zwarte burgerrechtenbeweging. De eerste zaal wordt nu weer verbouwd. Daar komt onder meer een groene Europese jas te hangen uit de zestiende eeuw. Pamunkey’s moesten zulke jassen dragen als ze zich op het gebied van de Engelsen waagden, vertelt Layne Cook, een Pamunkey die na haar pensionering weer op het reservaat is komen wonen. De meeste bewoners van het reservaat zijn bejaarden. Werk is er nauwelijks. Toeristen komen er niet veel, een paar auto’s per dag in de zomer, schat Cook. In de rest van het museumpje wordt met behulp van bodemvondsten en replica’s een beeld gegeven van de gebruiksvoorwerpen van de Pamunkey sinds de prehistorie. Keramiek die op mijn potje lijkt, ligt in een kleine vitrine. Borden en schalen gemaakt van klei uit de Pamunkey rivier, met de hand gevormd volgens de spiraalmethode, niet versierd met patronen, maar zwartgeblakerd in de oven.

Zo’n schaal ligt ook op de presentatie van de Pamunkey in het Museum of de American Indian. Toen dit museum in 2004 open ging, mocht een aantal stammen er een eigen presentatie verzorgen. „Die aanpak was baanbrekend,’’ meent Kevin Gover, directeur van het museum sinds 2007. „het waren geen presentaties over maar door Indianen. Maar nu is het tijd om de belangrijke historische vragen aan te pakken waar alle stammen mee worstelen. Hoe komt het dat wij van de agressors verloren hebben? Was er sprake van een genocide, een holocaust? Het antwoord op zulke vragen is niet eenvoudig. Maar er is al veel veranderd. Columbus is geen held meer, hij is in Amerika een ambigue figuur aan het worden.’’

Perzische tapijten

Achter het schoolgebouwtje op het reservaat, staat nog een wit houten gebouwtje. Dat is de pottenbakkersschool, vertelt chief Brown. We gaan naar binnen. In de jaren dertig van de vorige eeuw, tijdens de grote depressie, zette de regering hier een school om mensen te leren potten bakken. De hier gebakken keramiek was niet bedoeld voor eigen gebruik maar voor de verkoop. Brown wijst op de mallen die tegen de muur staan opgestapeld en laat de oven zien. Zulke scholen maakten deel van de New Deal en waren bedoeld om Indianen met hun eigen ambachten hun brood te laten verdienen. Maar op de school leerden de Pamunkey's vooral imitaties te maken, van beroemd aardewerk van heel andere stammen, uit het zuidoosten van de Verenigde Staten of moesten ze schalen beschilderen met voorstellingen die aan de prairie-indianen uit westerns doen denken. Geen ambachtelijkheid, geen kunst, maar kitsch is dit aardewerk. David Penny van het NMAI ziet dat anders. „Wat de een kitsch noemt, noemt de ander market art. Bij kitsch ga je er vanuit dat er ooit authentieke Indiaanse kunst is geweest, die door contact met Europeanen is verpest. Maar authentieke Indiaanse kunst bestaat niet. Ook vóór Columbus was Indiaanse kunst niet statisch.’’

Penny geeft nog meer voorbeelden van zijn ononderbroken tradities, die ook market art en invloeden van buiten incorporeren. De dekens waar de Navajo beroemd om werden zijn gemaakt van wol van door Spanjaarden ingevoerde schapen. De patronen zijn soms beïnvloed door Perzische tapijten. Op kunstacademies werd aan Indianen expres niet geleerd om met perspectief te schilderen, opdat hun schilderijen er niet-westers uit bleven zien.

Toch koop ik in het winkeltje op het museumreservaat geen bruin maar zwart aardewerk. De laatste jaren zijn een aantal Pamunkey dit zwarte aardewerk gaan maken. „We bakken het nog wel voor in de oven van de pottenbakkersschool”, zegt chief Brown. „Dan barst het minder snel dan in de traditionele oven.’’ Het potje dat ik in de museumwinkel kocht zal geen museum meer halen. Maar soms is de geschiedenis die aan voorwerp kleeft interessanter dan dat voorwerp zelf. Ook dat is cultuur. Op Koninginnedag blijft het binnen.