Eerlijk delen. Dat is schrikken

Nu er door de crisis minder geld is, zijn we extra alert op wie wat krijgt. Solidariteit is niet langer onbaatzuchtig, maar wederkerig. Voor wat hoort wat.

Nederland, Utrecht, 31-10-12 Janine van Dijk. © Photo Merlin Daleman

Een boog van 150 meter lang, 45 miljoen kilo staal. Imposanter dan de nieuwe Uyllanderbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal kan een overspanning nauwelijks zijn. De brug was geprojecteerd achter Mark Rutte en Diederik Samsom, maandag tijdens de presentatie van hun regeerakkoord ‘Bruggen slaan’.

De twee leiders deden er alles aan om ‘verbinding’ te symboliseren. Ze stonden er samen, droegen allebei een blauwe stropdas, kleur van vertrouwen. Rutte en Samsom hadden het over ‘eerlijk delen’, over ‘elkaar wat gunnen’ en over ‘de hand reiken’. Boodschap aan de burger: alleen door solidair te zijn komt ‘ons’ land sterker uit de crisis.

Een dag lang was er euforie. Een akkoord, zo snel! En dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, waarom ook niet. ‘Nivellering’ klonk niet eens zo slecht.

Totdat de NOS dinsdag berekende wat solidariteit nu eigenlijk kost. Mensen in de bijstand zouden 20 euro per maand aan (inkomsonafhankelijke) zorgpremie betalen en mensen met een goed salaris tot 482 euro. Meer dan twintig keer zoveel. Van het optimisme dat maandag overheerste was opeens niets meer over. ‘Hardwerkende Nederlander de klos’ kopte De Telegraaf gisteren. Sommige gezinnen zouden 10.000 euro per jaar aan premie gaan betalen. VVD-prominent Hans Wiegel noemde dat „buiten elke proportie”.

Eén dag blijheid, jaren irritatie. Dat de stemming zo snel omslaat, is een bekend fenomeen, zegt Fred van Raaij, economisch-psycholoog aan de Universiteit van Tilburg. „Je zag het ook bij het Lente-akkoord: als duidelijk wordt wat beleid concreet betekent voor je eigen portemonnee, slaat euforie om in onzekerheid.”

Ontwikkelingssamenwerking, natuurbeleid? Natuurlijk is het van belang. Maar een regeerakkoord, zegt Van Raaij, beoordeel je vooral op maatregelen die voor jóú belangrijk zijn. En dan kijk je naar de minnen, niet naar de plussen. Dat is de prospect theory waar Daniel Kahneman tien jaar geleden de Nobelprijs Economie voor kreeg: verlies zien we nu eenmaal als bedreigender en van groter levensbelang dan winst. „De belastingvoordelen kunnen nog zo hoog zijn, de focus ligt op de nadelen.”

De meest geduchte ‘minnen’ hielden Rutte en Samsom daarom uit het regeerakkoord. Geen kilometerheffing en geen afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Kom niet aan iemands auto of huis, was de les uit het verleden.

Aan de zorgpremie durfde het tweetal wel te morren. In een jasje van ‘eenheid’, ‘gunnen’ en ‘geven en nemen’ werd de inkomensafhankelijke zorgpremie opgediend als solidair en onvermijdelijk om ‘samen’ de crisis te doorstaan.

Maar kan de Nederlander dat wel, solidair zijn? Wil de ‘hardwerkende’, joggende Nederlander nog wel dokken voor de rokende uitkeringstrekker met overgewicht?

Als dat zijn broer is waarschijnlijk wel.

Solidariteit, zegt socioloog Ferry Koster van de Erasmus Universiteit, gaat om de bereidheid offers te brengen. Om de vraag: voor wie ga je een brandend huis in om diegene te redden? „Die neiging zal sterker zijn als je met de ander genetisch verbonden bent.” Maar ook in kleinere gemeenschappen, de buurt, de vereniging, kun je die verbondenheid voelen. „Je hebt elkaar nodig, ook voor je eigen welzijn.”

Solidariteit in een verzorgingsstaat is een ander verhaal. Dan is een derde partij, de overheid, nodig om mensen tot een bijdrage te bewegen. Straalt die overheid voldoende vertrouwen uit, dan is de burger zelfs bereid tot offers zonder er direct wat voor terug te zien. Lange tijd was deze „eenzijdige solidariteit” overheersend, zegt Koster. De werkende burger was bereid op te draaien voor de niet-werkende.

Stilaan is dat omgeslagen in tweezijdige solidariteit. Meebetalen aan de WW? Prima, mits de werkloze zijn best doet werk te vinden. Meebetalen aan de zorg voor zwakkeren? Mits ze gezond leven. Die ‘mits’, zegt Koster, is nieuw. Solidariteit is niet verdwenen, maar de relatie tussen de sterkere en de zwakkere burger is wel veranderd van altruïstisch naar wederkerig.

Het individualisme van na de verzuiling speelt een rol, denkt Van Raaij. Wie zijn eigen buren niet kent, kan moeilijk solidair zijn. Die zal de ander wantrouwen en niet méér willen betalen dan wat hij zelf verbruikt. „Kijk naar verzekeringen, bij uitstek een solidair product: premie betaal je ook voor het welzijn van anderen. Maar mensen accepteren dat moeilijk: ze geven hun camera op als gestolen omdat ze al een paar jaar ‘voor niets’ premie hebben betaald.”

De veranderde solidariteit duidt volgens Koster op een verzakelijking van de verzorgingsstaat. Daarvan liggen de wortels in de jaren 80, toen het idee over ‘de zwakkeren’ veranderde onder invloed van het overgewaaide neoliberalisme van Thatcher en Reagan. Als burgers in de problemen kwamen, lag dat niet langer aan de omstandigheden, maar aan henzelf. „De opvatting werd: ‘had iemand maar beter z’n best moeten doen’.”

Sterker werd dat idee toen burgers in de jaren 90 werden geconfronteerd met de ‘negatieve’ kanten van de verzorgingsstaat. Mensen, zo bleek uit de media, konden ook misbruik maken van voorzieningen. Was dat werkelijkheid? Perceptie? Waar het om gaat, zegt Koster, is dat mensen minder bereid werden om bij te dragen aan de verzorgingsstaat.

Nu in de crisis het geld beperkt blijkt, zijn mensen extra alert op wie wat krijgt. De angst om achtergesteld te raken is daarbij overheersend, zegt Koster. Tot betalen is iedereen bereid, zo blijkt uit onderzoek, zolang de ander maar minstens net zo veel betaalt. „Niemand wil het lulletje van de klas zijn, degene die het meest bijdraagt.”

481 euro zorgpremie per maand? Prima, maar dan liever de rest een euro meer.