De vraag van Hermans: Aan welke kant sta jij?

Vandaag begint de campagne Nederland Leest 2012. Dit keer staat de roman De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans centraal. Een ultiem boek over goed en kwaad.

Rob van Essen

Medewerker Boeken

Vreemde titel, goedbeschouwd: De donkere kamer van Damokles. Vergezocht en geforceerd. Het klinkt eerder als een novelle van Mulisch dan een roman van W.F. Hermans. Maar klassieke titels hebben de goede gewoonte zich los te zingen van hun achterliggende betekenis, en op dat abstracte niveau staat deze titel als een huis, onontkoombaar en vanzelfsprekend, met een mooie sombere klank en een goed ritme. Al zou ik niet graag de scholieren de kost geven die zich in de loop der jaren hebben afgevraagd waarom de man die blijkbaar de eigenaar is van de donkere kamer waar de alles beslissende film wordt ontwikkeld, alleen in de titel bij naam wordt genoemd en verder niet voorkomt in het boek, dat deze maand centraal staat in de campagne Nederland Leest.

Een boek als een labyrint. Henri Osewoudt is niets, een onbeduidend mens. Zijn moeder vermoordde zijn vader, hij trouwde met zijn nicht en drijft een sigarenwinkeltje in Voorschoten. Maar dan: mei 1940, het is oorlog en daar verschijnt Dorbeck, Osewoudts dubbelganger, maar dan met baardgroei en lef. Geheime opdrachten, verzetsdaden, alles doet hij in opdracht van Dorbeck. Maar Osewoudt verstrikt zich in het labyrint, wat is goed, wat is fout, aan welke kant staat Dorbeck, aan welke kant staat hij zelf? Na de oorlog wordt hij vastgezet, dat moet een misverstand zijn, dook Dorbeck maar op, die zou alles ophelderen. Dorbeck? Wie is dat, heeft die ooit bestaan?

De donkere kamer van Damokles is een raadsel zonder sleutel. Of Dorbeck alleen in de fantasie van Osewoudt heeft bestaan of niet, blijft onopgehelderd, boekdelen zijn erover vol geschreven. Maar goedbeschouwd bestaat Osewoudt ook niet echt. Zodra na zijn ontmoeting met Dorbeck zijn oorlogsavonturen beginnen, is van een coherent personage geen sprake. Als er geschoten moet worden, is hij vastberaden, als hij Dorbeck mist, is hij onzeker, als hij alleen met een meisje is, wordt hij een doortastende minnaar, als hij zijn meisje mist, wordt hij een sentimentele correspondent, als na de bevrijding de koningin langskomt, blijkt hij opeens Oranjegezind – geen van deze eigenschappen is verankerd in zijn persoonlijkheid, ze lijken het gevolg van de situatie waarin hij zich bevindt. Alsof hij een reservoir eigenschappen heeft waaruit hij naar behoefte kan putten. Of zijn het eigenschappen van Dorbeck die dan naar boven komen?

Misschien bestaan Osewoudt en Dorbeck alleen in onderlinge afhankelijkheid. Ergens is een verwisseling opgetreden, kijk maar naar de namen die ze dragen. Osewoudt – een naam voor een held, met de associaties van het Franse oser (durven) en uitgestrekte bossen, een geschikt landschap voor een onverschrokken ridder in oorlogstijd. Dorbeck? Een uiterst geschikte naam voor een onbetekenende sigarettenverkoper met een vrouw die hem bedriegt. Misschien hadden hun levens zich nooit gekruist als ze elkaars naam niet hadden gedragen.

Onopgeloste raadsels gaan langer mee dan opgeloste. Maar dat is niet de enige reden dat De donkere kamer van Damokles een tijdloze indruk maakt. Het komt ook door de kale stijl van Hermans, met veel dialogen en weinig beschrijvingen. Dat geeft de roman snelheid. Tegelijk werkt de combinatie van zakelijke stijl en raadselachtig verhaal vervreemdend. Het doet denken aan Kafka, ook als het gaat om de wanhopige verbetenheid waarmee Osewoudt greep op de gebeurtenissen probeert te krijgen. Als lezer probeer je dat ook. Je rekent op helderheid, maar krijgt droomlogica.

Dat wil niet zeggen dat het verhaal een droom is van Osewoudt. Dat is maar goed ook, niets is zo vervelend als het lezen van andermans droomverslagen. De donkere kamer van Damokles is de droom van de schrijver, en je ervaart de urgentie waarmee hij die droom op papier heeft gezet. Daardoor wordt het ook de droom van de lezer, en dus blijf je gefascineerd doorlezen, ook (of juist) wanneer je doorkrijgt dat het raadsel alleen maar groter zal worden.

Toen ik die droom dit weekend herlas, zag ik vanuit mijn ooghoek opeens de regel: „’s Avonds luisterden ze naar radio Niemand.” Dat was een vreemde zin. Ik had het dan ook niet goed gezien, er stond: „’s Avonds luisterden ze naar de radio. Niemand had iets bijzonders te zeggen.”

Maar toch – als er ergens wordt geluisterd naar Radio Niemand, dan bij Hermans. Bij Reve kunnen ze nog afstemmen op Radio Maria Moeder van Smarten. Bij Mulisch luisteren ze geboeid naar Radio Mulisch. Bij Hermans is de ether leeg.

Milan Kundera zei het ook: dit is een prachtig boek

De donkere kamer van Damokles stond (natuurlijk) op de shortlist bij de verkiezing van Het beste boek van Nederland, in 2007. De boeken op die shortlist werden door heuse ‘ambassadeurs’ gepromoot. Voor Hermans’ boek was dat de Frans-Tsjechische schrijver Milan Kundera, bekend van het boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

Kundera schreef 5,5 jaar geleden op de opiniepagina van de Franse krant Le Monde enige maanden na het verschijnen van La chambre noir de Damoclès. Kundera karakteriseerde het boek van W.F. Hermans als een „rijke, onwaarschijnlijk rijke roman”. Kundera putte zich uit in complimenten voor deze „exact en droog geschreven” thriller.

Kundera: „Die esthetiek heeft me gegrepen: een roman die bezeten is van het werkelijke en tegelijk gefascineerd door het onaannemelijke en het vreemde. Komt het doordat oorlog per definitie allerlei onverwachte, buitenissige gebeurtenissen met zich meebrengt, of getuigt het van de esthetische intentie het alledaagse te verlaten en, om een geliefde term van de surrealisten te gebruiken, in contact te komen met het wonderbaarlijke?

„Ik heb Hermans’ boek dichtgeslagen met een gevoel van dankbaarheid jegens mijn eigen onkunde; die heeft me een stilte cadeau gedaan waardoor ik de stem van deze roman heb kunnen horen in al zijn zuiverheid, in alle schoonheid van het onverklaarbare, het onbekende.”