De hulpsector is niet hulpeloos

Bezuinigingen op ontwikkelingshulp zijn geen ramp, schrijft Frank van der Linde. De organisaties moeten nu hervormen om hun hulp effectiever te laten zijn.

Het nieuwe kabinet gaat fors verder bezuinigen op ontwikkelingshulp. Een makkelijke bezuiniging, want deze raakt de burger niet in de portemonnee en draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking neemt steeds verder af. De hulpindustrie schreeuwt moord en brand, terwijl zij zelf verantwoordelijk is voor het afnemende draagvlak.

Als oud-bestuurslid van Partos, de brancheorganisatie van de hulpindustrie, ken ik de reflexen. Met veel verontwaardiging nemen de directeuren kennis van de bezuinigingen, verwijten zij iedereen behalve zichzelf hoe belachelijk dit is, en schrijven ze boze opiniestukken. De kranten publiceren die, waarschijnlijk half uit medelijden, want de hulpindustrie bedoelt het goed en heeft het al zo zwaar. Ik vraag me sterk af of deze artikelen door burgers nog gelezen worden. En indien wel, dan draagt dat alleen maar bij aan het afkalvende draagvlak.

Hoe komt het toch dat het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking zo snel is afgenomen? Jarenlang gaven burgers gemakkelijk veel geld rechtstreeks aan de hulporganisaties en was er een groot draagvlak om een gedeelte van de belastingopbrengst door te sluizen naar dezelfde clubs. Dit draagvlak werd gecreëerd door simpele boodschappen in fondsenwervende campagnes van de hulpindustrie: ‘Geef ons een euro en wij redden een kind.’ Dat dat beeld niet overeenkomt met de werkelijkheid in ontwikkelingslanden, namen en nemen de directeuren van de hulpindustrie op de koop toe. Belangrijker dan een correct beeld zijn de inkomsten van de organisatie; bij simpele beelden wordt nu eenmaal sneller de portemonnee getrokken.

Maar meer en meer bereiken de werkelijke beelden de Nederlandse burger. Ten eerste bleek de relatie tussen de euro en het kind niet zo eenvoudig te leggen. Vele rapporten en boeken (DeadAid, De Crisiskaravaan) geven aan dat de werkelijkheid een stuk complexer is en dat ontwikkelingshulp vaak niet succesvol is of zelfs schade aanricht. Maar ook zien we steeds vaker dat het niet alleen maar kommer en kwel is in ontwikkelingslanden. Keer op keer berichten media over de explosieve groei in Afrika. En horen we dat China en Angola de Europese staatsschuld financieren. Doordat de hulpindustrie de communicatie met de burger niet aanpast, zal ze steeds minder geloofwaardig worden – waardoor het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking verder afneemt. Hierdoor is bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking voor het nieuwe kabinet een risicoloze bezuiniging.

Maar er is meer mis dan de communicatie. Want vaak is de ontwikkelingshulp inderdaad niet succesvol. Binnen de hulpindustrie is er een schromelijke overschatting van de invloed van ontwikkelingssamenwerking. Zeker nu vele (voormalige) derdewereldlanden zich ontwikkelen, is het aandeel ontwikkelingshulp als percentage van het bruto nationaal product daar klein. In veel landen stuurt de diaspora aanzienlijk meer geld naar het land van herkomst dan de hulpindustrie; om van de buitenlandse investeringen nog maar te zwijgen. Het idee dat alleen ontwikkelingshulp de armoede in de wereld kan oplossen klopt dus niet.

Sterker nog, ontwikkelingshulp richt juist vaak schade aan. Als het Rode Kruis bijvoorbeeld klinieken opzet in een ontwikkelingsland, leidt dat ertoe dat de lokale bevolking haar leiders niet aanspreekt op het gebrek aan goede gezondheidszorg. De hulpindustrie ondermijnt op deze manier de maatschappijopbouw, waarbij interactie tussen burgers en hun leiders essentieel is.

In plaats van klagen over verdere bezuinigingen, moet de hulpindustrie zichzelf opnieuw uitvinden. Ze moet lessen trekken uit de fouten die in het verleden zijn gemaakt en ze moet zichzelf aanpassen aan de veranderde wereld. De Nederlandse ontwikkelingsorganisaties moeten zich primair richten op onvolkomenheden in het Nederlandse beleid, die een duurzame, rechtvaardige en stabiele wereld in de weg staan.

Er zijn vele voorbeelden te noemen van problemen waarmee Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zich kunnen bezighouden om een duurzame, rechtvaardige en stabiele wereld te creëren. Zo ligt er een belangrijke taak voor hen op het gebied van het milieu. Want doordat wij slecht omgaan met de aarde, zadelen we niet alleen onszelf op met problemen, maar ook onze verre buren. De Nederlandse export van wapens draagt al evenmin bij aan internationale stabiliteit. En een conflict in het Midden-Oosten wordt ook al snel ons probleem door vluchtelingenstromen en hoge olieprijzen.

Ontwikkelingsorganisaties kunnen door een gerichtheid op dit soort problemen weer Nederlandse maatschappelijke organisaties worden. Op het gebied van milieu kunnen ze samenwerken met de bestaande milieuorganisaties, waarbij de ontwikkelingsorganisaties zich meer richten op de internationale aspecten van milieuvervuiling en niet zozeer op vervuiling die binnen de landsgrenzen blijft. Ten aanzien van de problemen in het Midden-Oosten kunnen de organisaties bijvoorbeeld de Nederlandse verkoop van wapens aan de kaak stellen. Zo is nu bij het grote publiek nog nauwelijks bekend welke bedrijven die wapens verkopen en evenmin dat de Nederlandse overheid daar vergunningen voor afgeeft.

Het zijn zaken die alle wereldburgers raken en die hen dus ook verbinden. Door niet meer te denken in wij en zij, in arm en rijk, in hulpverlener en hulpontvanger, maar door gezamenlijke problemen te benoemen en aan te pakken, ontstaat een nieuwe relatie tussen wereldburgers die gebaseerd is op wederzijds belang en wederzijds respect.

Maar kunnen de Nederlandse hulporganisaties deze omslag maken? Dat is de vraag. Veel ontwikkelingsorganisaties, zoals ICCO, Cordaid en Novib, bestaan al lang en hebben weinig personele doorstroom. En door de bezuinigingen van de afgelopen jaren hebben juist de jonge, creatieve mensen de organisatie moeten verlaten. Daarom is het vermogen van de hulpindustrie om van binnenuit te veranderen klein. De reflexen laten dat ook zien.

Het is te hopen dat de nieuwe minister voor Internationale Handel en Ontwikkelingssamenwerking de ontwikkelingsindustrie aanspoort te veranderen. Eventueel door de geldkraan dicht te draaien, waardoor ze het gat op haar begroting ook direct gedeeltelijk heeft gedicht.

Frank van der Linde is onafhankelijk strategisch adviseur en oud-bestuurslid van Partos.