Blues over president en politiek

Amerikaanse bluesartiesten hebben vaak over Amerikaanse presidenten gezongen. Er is een Roosevelt Blues en een Eisenhower Blues. Ook Obama is al in de muziek terechtgekomen.

Met de klok mee: Howling Wolf Foto CS Associates; Ry Cooder Foto Andreas Terlaak; Barack Obama zingt ‘Sweet Home Chicago’ in het Witte huis, met Troy Trombone Shorty Andrews, Jeff Beck, Derek Trucks, B.B. King en Gary Clark J. Foto Hollandse Hoogte; The Staple Singers Foto AP

In de fictieve tekst van zijn lied John Lee Hooker for President laat Ry Cooder de bluesman Hooker rondkijken in Washington. Daar treft hij een enorm wit huis met een hek eromheen. Hooker wil er naar binnen, maar moet zich laten uitleggen dat de president van de Verenigde Staten daar woont. Hij besluit mee te doen aan de verkiezingen. De mensen kennen hem van zijn hit Boom boom, dus ze zullen massaal op hem stemmen. En hij heeft genoeg geld in zijn achterzak om als onafhankelijke kandidaat mee te doen, zonder banden met de Democraten of de Republikeinen. Zijn verkiezingsbelofte is simpel: iedereen die op hem stemt krijgt driemaal daags One bourbon, one scotch and one beer.

De humor in het naar de rauwe bluesstijl van de echte John Lee Hooker gemodelleerde nummer doet niets af aan de kennis die Ry Cooder heeft van het historisch verband tussen bluesmuziek en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De Nederlandse blueskenner Guido van Rijn wijdde een serie boeken en cd’s aan dat onderwerp. Een van zijn bevindingen is dat de verkiezing van Franklin Delano Roosevelt in 1933 aanleiding was voor een ware hausse van presidentsliefde onder blues- en gospelmuzikanten. Roosevelt was opvallend populair bij de zwarte bevolking, zoals gedocumenteerd op platen van Sonny Boy Williamson, Leadbelly, The Miss issippi Sheiks en nog zeker veertig anderen. „President Roosevelt is everybody’s friend”, preekte Reverend J.M. Gates op een 78-toerenplaat waarmee de verkiezingswinst op de Republikeinse kandidaat Herbert Hoover werd gevierd. De zwarte opinie van Amerika is door dat soort opnamen bewaard gebleven, stelt Van Rijn in zijn boek Roosevelt’s Blues.

Belastingaanslag

Niet alle presidentiële bluesplaten waren zo lovend. Soms dienden ze indirect als negatief stemadvies. In 1954 hield J.B. Lenoir in zijn Eisenhower blues een klaagzang over de belastingaanslag die alle sjeu uit zijn leven had weggenomen. Eisenhower werd persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor het feit dat Lenoir zijn huur niet kon betalen en dat er geen dollar overbleef om schoenen voor zijn schatje te kopen. De directe aanval op de hoofdverantwoordelijke kwam voort uit een diepere angst die onder de bevolking leefde. Aanleiding voor het lied was de belastingverhoging die twee jaar na Eisenhowers verkiezing was opgelegd om de milde economische teruggang te bestrijden die optrad na het einde van de oorlog in Korea. De grote crisis van de jaren dertig lag velen nog vers in het geheugen. De blues (lees: de ellende) ligt voor iedereen op de loer, was een sentiment dat door veel blueszangers werd vertolkt.

Dat het allemaal nog erger kon, mocht blijken uit de bluessongs die rond 1972 werden gewijd aan het Watergateschandaal. De ontdekking van de betrokkenheid van president Richard Nixon bij de inbraak bij het Democratic National Committee leidde onmiddellijk tot muzikaal protest, het meest ondubbelzinnig in Impeach the President van soulband The Honey Drippers die er hun grootste hit mee scoorden. Washington, we’re watching you zongen The Staple Singers in de nasleep van het schandaal. De grote Chicagobluesman Howlin’ Wolf (ware naam Chester Burnett) waarschuwt corrupte politici met een stem als een roestig kapmes in zijn Watergate blues:

Don’t do us wrong,

if you do, don’t make no mistake.

Because we’ll blow the whistle on you

just like we did to Watergate.

Vergeleken bij die ferme taal heeft Barack Obama weinig te duchten van de huidige muziekgeneratie. De felste aanklacht komt in de vorm van satire, door de 75-jarige bluesman André Williams die bekendstaat om zijn vunzige taal. Williams houdt het tamelijk netjes in Blame it on Obama, met een diepe bromstem op een zompig walstempo. Gaan de dingen niet zoals je wilt dat ze gaan, gromt Williams, geef Obama dan de schuld:

The chickens stop laying eggs, that’ a shame.

And a dollar ain’t worth a dime, who’s to blame?

Your wife is on the run, she won’t give you none.

We’ll just blame it on Obama.

Op zijn album Election Special neemt Ry Cooder het op voor een niet bij naam genoemde president die bij het piekeren over misstanden zijn schoenzolen stukloopt in de lange gangen van het Witte Huis. Deze tijd vraagt niet om milde protestsongs, zegt Cooder (65) over het muzikaal activisme dat op latere leeftijd bezit van hem heeft genomen. Hij agiteert tegen de bankencrisis, de politieke macht van de rijken en de vergiftigde Kool-Aid (oploslimonade) die politici hun electoraat laten drinken.

Barack Obama is zelf geen onverdienstelijk zanger. In februari zong hij een paar zinnen uit de klassieker Sweet home Chicago bij een concert van B.B. King, Buddy Guy en andere bluesartiesten in het Witte Huis. Voorafgaand aan een speech in het Apollo Theater bracht hij een doorleefd stukje Let’s stay together van Al Green. Ondertussen publiceerde Obama’s campagnebureau een Spotify-playlist die vooral democratische goodwill en een mooiweergevoel uitstraalt, met fijne liedjes van Florence + the Machine, Ricky Martin en Rafael Saadiq. Geen spoortje van de blues, want daar zouden potentiële kiezers maar een rotgevoel van krijgen.