Zes vragen over de frequentieveiling

Het Nederlandse mobiele net gaat onder de hamer. Vandaag start een grote frequentieveiling die de concurrentie onder telecomproviders moet vergroten voor de komende 17 jaar. De animo valt echter tegen.

[Update 14 december: de uiteindelijke opbrengst is 3,8 miljard euro, veel hoger dan verwacht]

1. Wat wordt er geveild?

Agentschap Telecom biedt frequenties aan waarmee mobiele providers bijna 21 miljoen klanten bereiken - er zijn dus nogal wat Nederlanders die met twee telefoons rondlopen. Om een betrouwbaar mobiel netwerk te bouwen is bandbreedte in meerdere smaken nodig: in de stad zijn hogere frequenties belangrijk (die kunnen meer gebruikers tegelijk aan) en lagere (die kunnen beter doordringen in gebouwen). Op het platteland zijn met name lagere frequenties nodig omdat die ook langere afstanden kunnen overbruggen. Dat scheelt in het aantal gsm-masten dat geplaatst moet worden.

Er worden 40 vergunningen geveild in de 800, 900, 1.800, 2.100 en 2.600 MHz band. Het is een ingrijpende wijziging: ook de frequenties van het huidige gsm-net komen opnieuw beschikbaar. Eigenlijk verwisselt alles van eigenaar, behalve de UMTS-frequenties die pas na 2015 weer onder de hamer komen. De nieuwe vergunningen zijn geldig tot 2030.

2. Wie doen er mee?

De Tweede Kamer reserveerde veel ruimte voor nieuwkomers om de concurrentie onder de huidige drie telecomproviders (KPN, Vodafone, T-Mobile) te vergroten. Die veranderen hun prijzen nauwelijks ten opzichte van elkaar. Een hongerige prijsvechter kan de markt weer nieuw leven inblazen. De belangstelling voor de veiling valt echter tegen. Er hebben zich maar vijf partijen ingeschreven, waaronder nieuwkomers. Hoewel geheim is wie er zich aanmeldden – dat zou een eerlijke veiling onmogelijk maken - is het onwaarschijnlijk dat een van de huidige providers niet meedoet: KPN, Vodafone en T-Mobile zullen hun eigen frequenties weer op moeten kopen, anders kunnen ze de tent opdoeken. Blijft over: twee nieuwkomers. Vrijwel zeker zijn dat Tele 2 en de combinatie UPC/Ziggo. Beide hebben eerder al geïnvesteerd in mobiele frequenties.

 3. Hoe gaat de veiling in zijn werk?

Agentschap Telecom coördineert de veiling. Bij eerdere gelegenheden moesten deelnemers fysiek aanwezig zijn, in een hotel. Nu gaat het allemaal via internet: de drie biedingsronden worden bijgehouden door veilingsoftware die geïnstalleerd is op computers in de hoofdkantoren van de bieders. De biedingsronden duren maximaal twee uur, telkens met twee werkdagen ertussen. Als het snel gaat - en dat is de verwachting - kan de frequentieveiling in een week of twee zijn afgerond.

 4. Wat gaat het opleveren?

De duurste blokken, met lage frequenties, hebben een startprijs van 35 miljoen euro. En er is nog een blok waarvoor de veiling op 28,9 miljoen begint. De andere frequenties zijn een stuk voordeliger. Het is zeer de vraag of de vijf deelnemers allemaal een volledig pakket ambiëren en zo de prijs op zullen drijven: ze kunnen ook met overeenkomsten gebruik maken van elkaars netwerken. Zulke MVNO’s – telecombedrijven zonder eigen netwerk – beslaan nu al 36 procent van de Nederlandse markt. Een scenario is dat de bestaande spelers genoeg zullen bieden op de cruciale lage frequenties om nieuwkomers af te schrikken, maar vervolgens niet onderling in een biedingsstrijd verwikkeld willen raken. In dat geval blijft de opbrengst beperkt tot enkele honderden miljoenen euro’s.

In het verleden brachten frequentieveilingen veel geld op. De GSM-veiling van 1998 leverde het rijk 1,84 miljard gulden (830 miljoen euro) op, de UMTS-veiling in 2000 2,7 miljard euro. Dat was een spectaculair bedrag dat de telecom-aanbieders bijna nekte. Ze staken zich diep in de schulden om 3G-netwerken te mogen bouwen en begonnen pas terug te verdienen na 2008, toen de iPhone naar Nederland kwam en 3G een massa-product werd.

De laatste veiling, in 2010, leverde slechts 2,6 miljoen euro op. Toen werden de 2.600 MHz blokken geveild voor het gebruik van LTE, de nieuwe generatie mobiele netwerken (4G). Er bleven enkele kavels over, die nu opnieuw in de aanbieding gaan.

 5. Heeft de telecomsector genoeg geld?

De aankoop van nieuwe vergunningen is een noodzakelijke stap op een ongunstig moment: de omzet staat bij alle mobiele providers onder druk. De Nederlandse markt is verzadigd, webdiensten vreten aan de sms- en gespreksinkomsten en toezichthouders zetten de tarieven onder druk. Met alleen frequenties bouw je geen netwerk: het meeste geld gaat zitten in zendmasten, apparatuur en onderhoud. Weinig partijen kunnen zich zo’n miljardeninvestering veroorloven. Omdat het gebruik van mobiel internet groeit, zijn verbeteringen noodzakelijk in het achterliggende glasvezelnet en de straalverbindingen die zendmasten onderling verbinden. Maar een fractie van het verkeer op de mobiele netten gaat daadwerkelijk ‘door de lucht’.

 6. Wat merkt de consument ervan?

Providers mogen zelf weten voor welke technologie ze de toegewezen frequenties gaan gebruiken en er is maar een beperkte verplichting om met het verkregen spectrum daadwerkelijk een nieuw netwerk op te bouwen. Dat betekent dat nieuwkomers niet meteen de concurrentieslag aan hoeven te gaan. Het recente succes van de Franse provider Free bewijst echter dat een nieuweling de gezapige telecommarkt wel degelijk kan opschudden met stuntprijzen. De landelijke invoering van de nieuwe 4G-technologie LTE schiet niet hard op. Er wordt nu her en der geëxperimenteerd met de 2.600 MHz frequenties, maar we zullen nog jaren moeten wachten op een 4G-net dat heel Nederland dekt.

 

    • Marc Hijink