Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Boeken

Dat duo? Een roverspaar!

Tekening Paul van der Steen

Na jaren van juridisch gesteggel is het dan toch verschenen: het derde deel van de Gerard Reve-biografie van biograaf Nop Maas. Elsbeth Etty las de biografie. Zij ziet Maas de neergang van Nederlands origineelste 20ste-eeuwse talent in een soms adembenemend verhaal gieten.

Op 7 augustus 2000 waren Gerard Reve en zijn partner Joop Schafthuizen 25 jaar samen. In hun Belgische woonplaats Machelen-aan-de-Leie gaven ze een borrel voor de schaarse kennissen die ze nog overhadden.’s Ochtends kwamen er bloemen van uitgeverij Veen. ‘Hebt u al 25 jaar een zaak?’ vroeg de bezorgster. ‘Min of meer’, bevestigde Schafthuizen.

Deze anekdote, die de relatie tussen de al dementerende schrijver en Matroos Vos ten voeten uit tekent, is afkomstig van Nop Maas. Als beoogd biograaf behoorde hij tot de weinige genodigden. In het nu tegen de wil van Schafthuizen verschenen slotdeel van zijn imposante biografie Kroniek van een schuldig leven komt Reves weduwnaar en zaakwaarnemer naar voren als een ordinaire geldwolf die de volledig van hem afhankelijke ‘volksschrijver’ exploiteerde, kwelde en mishandelde.

Het zou Maas tekort doen De late jaren 1975-2006 te beschouwen als een verslag van de relatie tussen twee aan drank, pillen en seks verslaafde oude nichten, maar veel wezenlijkers is er eigenlijk niet te melden over die laatste drie decennia van Reves leven. En wat er wel te vertellen valt, bijvoorbeeld over het in deze periode verschenen werk, zijn ruzies met uitgevers, racistische uitspraken en andere provocaties, is al grotendeels per snipper papier door Schafthuizen te gelde gemaakt.

Niettemin is Maas erin geslaagd om ook de neergang van het origineelste literaire talent dat Nederland in de 20ste eeuw heeft voortgebracht in een vloeiend, leesbaar verhaal te gieten. Daarvoor gebruikt hij hetzelfde procedé als in de eerdere delen, De vroege jaren 1923-1962 en De ‘rampjaren’ (1962-1975). Hij ordent chronologisch de bekende informatie met toevoeging van eigen vondsten in een zo compleet mogelijke, meerstemmige compositie.

Maas beschrijft de relatie tussen Schafthuizen en Reve als turbulent bekend staande relatie nogal ingetogen, als scènes uit een traditioneel huwelijk waarin de ongelijkwaardige partners niet met elkaar, maar nog minder zonder elkaar kunnen leven. Reve kon niet schrijven als Schafthuizen in de buurt was, maar werd nog wanhopiger als hij soms tijdelijk verdween. In brieven aan vrienden noemde hij Matroos ‘een geschenk des hemels’ en ‘de troost van mijn late leven’. Daarbij moet worden aangetekend dat Schafthuizen Reves inkomende en later ook zijn uitgaande post en andere schrijfsels controleerde. Hij ging zelfs zover de blanco vellen schrijfpapier van zijn partner te nummeren, zodat hij kon nagaan of Reve (die hem regelmatige dood wenste) iets voor hem achterhield.

Op seksueel gebied lieten de twee elkaar min of meer vrij. Reve mocht zijn op masturbatie gerichte ‘ideeënseks’ uitleven, zoals beschreven in zijn aan Schafhuizen opgedragen roman Wolf, Schafthuizen hield er zijn eigen geliefden op na en mocht zich vergrijpen aan minderjarige jongetjes. In 2001, toen Matroos het ‘pielemuisje’ van een dertienjarig tuinknechtje wilde zien, deden diens ouders aangifte, waarop de politie een inval deed. Reve vluchtte in zijn onderbroek naar de buren. ’s Avonds moest de politie eraan te pas komen om hem tegen zijn zin naar huis te brengen. Vervelende bijkomstigheid was dat de Belgische koning de door Reve al zo lang begeerde Prijs der Nederlandse Letteren na dit schandaaltje niet aan hem kon uitreiken.

Het is indertijd allemaal breed uitgemeten in de media. Ook Maas’ beschrijvingen van de sadomasochistische verhouding tussen Reve en Schafthuizen, hun zuip- en knokpartijen, het decorumverlies, de onsmakelijke ruzies met derden zijn bekend. De klacht van Schafthuizen dat zijn dertig jaar lange relatie met Reve door Maas wordt gereduceerd tot ‘erotiek, drank en geld’ is dus onbegrijpelijk. Zijn poging deel 3 door de rechter te laten verbieden is weliswaar mislukt, maar het blijft idioot dat hij het boek twee jaar heeft kunnen tegenhouden en dat Maas in de tekst heeft moeten schrappen. Zo zijn alle geldbedragen die Schafthuizen namens Reve binnensleepte aan voorschotten, royalties, filmrechten, radio- en tv-optredens, interviews, brieven en typoscripten, etc. vervangen door sterretjes.

Schokkender dan de geldzucht van het duo was dat media grif betaalden voor een paar racistische of anderszins diffamerende citaten van de beroepsprovocateur om wie het publiek zo kon lachen. K.L Poll, chef kunst van NRC Handelsblad, gaf Reve in 1985 zelfs een honorarium voor een ingezonden brief.

Maas heeft dat leven adembenemend beschreven. Behalve de gecensureerde passages, blijft niets ons bespaard en daarvoor verdient hij alle lof. Wel is het zo dat Maas’ eigen rol nogal schimmig blijft. Aan het slot van deel 3 treedt hij ineens op als ‘ik’. Dan blijkt dat hij regelmatig te gast was bij Reve en Schafthuizen, wat eerder niet vermeld werd. Waarom hij van Schafthuizen koffers vol documenten meekreeg, op basis waarvan hij zijn biografie kon schrijven, terwijl andere kandidaten werden afgepoeierd, komen we niet te weten. Ook stelt het teleur dat we na zo’n diepgravende studie, die tegelijk een 20ste-eeuwse cultuur- en ideeëngeschiedenis omvat, in een vier pagina’s tellende Nabeschouwing te lezen krijgen dat alles wat Reve heeft voortgebracht terug is te voeren op zijn communistische jeugd. ‘Reve was, nadat hij van het communisme af was, ideologisch stuurloos. Hij zocht naar regie, via denkers en psychiaters, maar vooral via magische krachten in hemzelf: dromen, religieuze ervaringen en (min of meerbuiten hemzelf) zijn horoscoop.’ Reve zelf eiste van een biografie ‘dat wij door kennis van leven en persoon van een auteur diens werk zuiverder en vollediger kunnen waarderen.’ Maas doet niets minder dan dat.

Dit is de ingekorte versie van de recensie van Elsbeth Etty die is opgenomen in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad van vrijdag 26 oktober 2012. De volledige recensie kunt u hier lezen. Het boek is direct bij NRC lux te bestellen.