Oppassen

Twee dagen per week haalt ze de kinderen op van school, brengt ze naar dansen en piano. Gisteren liep een meisje naar haar toe. „Hallo”, zegt onze oppas. „Wat heb je mooie vlechtjes.” Het meisje is even stil. „Ik mag van m’n ouders niet praten met hoofddoekjes.”

„Oh”, zegt Jamila, „waarom?”

„Dat weet ik niet”, zegt het meisje. „Maar jou vind ik aardig.”

„Ik vind jou ook lief”, zegt Jamila. Dan komt een vrouw aanrennen. Met een venijnige blik sist ze: „Waar was je? Ik zeg toch dat je niet… mag weglopen.” Het meisje loopt mee. Dan belt Jamila me. „De kinderen spelen vanmiddag gewoon thuis. Ik heb ze even nodig.” In haar stem weerklinken tranen.

Roland van der Pouw