Het echte leven

Het huis waarin ik woon staat op een druk kruispunt. Vanuit het raam zie je hoe mensen afscheid van elkaar nemen bij het stoplicht, hoe ze met elkaar tongen of ruzie maken. Hoe ze wachten op groen of door rood rijden, soms gebeurt er een ongeluk. Je ziet toeristen die met teveel bagage op zoek zijn naar hun hotel, de politie rijdt door de straat, trams rinkelen, de post wordt rondgebracht. Een slungelige man heeft zijn armen om een lantaarnpaal heengeslagen, een knappe vrouw huilt met diepe uithalen. Hardlopers rennen langs, honden blaffen. Soms valt er iemand om. Hoe later het wordt, hoe meer geschreeuw je hoort en ook muziek uit de autoradio, meestal hiphop of house.

Vanuit mijn raam kijk ik naar de voorbijgangers en ik probeer echt te kijken, zoals je naar een film kijkt die je niet helemaal begrijpt. Ik probeer te bedenken in wat voor levens deze mensen terecht zijn gekomen.

De kunstenaar Job Koelewijn maakte jaren geleden de mobiele bioscoop. Een keet die is ingericht als een bioscoop, maar dan met zicht op de werkelijkheid omdat het filmdoek bestaat uit een groot gat. Het werk dwingt je te kijken naar alles wat er al is, zonder verleden of toekomst. Wat gebeurt er nu?

De stoep voor het huis is opengebroken, als je de deur opent stap je zo in een zandbak. Het is half een ’s nachts, in de zandbak zit een groepje jongeren van een jaar of dertien, kinderen nog. Twee van hen zijn er aan het kotsen, ze worden geaaid door de anderen. Na ongeveer drie kwartier hebben de kinderen er genoeg van; de meesten vertrekken op hun grote mensenfietsen. Een dronken meisje blijft met drie vriendinnen over. Ze proberen haar naar huis te krijgen, ze treden streng op. “Als je niet meekomt laten we je hier achter.” Als ze het meisje achterop de fiets willen zetten valt ze er onmiddellijk af. Ik besluit in te grijpen. “Wat is hier allemaal aan de hand?”, vraag ik. Ik voel me oud als ik mij herinner hoe ik zelf naar types als ikzelf keek; vrouwen die op de meest ongewenste momenten komen vragen wat er aan de hand is.

“Misschien kunnen jullie het beste haar ouders bellen”, zeg ik.

De kinderen vinden dit een goed idee, de ouders moeten de zorg maar over nemen.

Het dronken meisje is plotseling weer volledig bij bewustzijn. “Nee, nee, niet mijn ouders”, gilt ze. En ik weet dat ze mij tot het einde van haar leven zal haten.