Beroemd door één roman

Gisteren overleed Bernlef, een van de bekendste schrijvers van Nederland. Naam maakte hij met het veel verkochte boek Hersenschimmen.

Rotterdam. Het is bijna angstaanjagend hoe Bernlef in Hersenschimmen (1984) zijn eigen levenseinde heeft beschreven. Niet dat Hendrik Jan Marsman, zoals zijn echte naam luidde, in een ver land aan alzheimer is overleden; hij stierf 75 jaar oud na een relatief kort ziekbed in zijn woonplaats Amsterdam aan kanker.

Maar Maarten Klein, hoofdpersoon van zijn beroemdste roman was, toen hij stierf, wel ongeveer even oud als Bernlef is geworden en liet evenals de schrijver, dichter, essayist een vrouw achter met wie hij ruim vijftig jaar getrouwd was. Vera heet ze in Hersenschimmen, maar één letter verschil met de voornaam van journaliste Eva Hoornik met wie hij sinds 1960 getrouwd was.

Al ver voor de verschijning van de taboedoorbrekende roman over dementie die hem geliefd maakte bij een groot publiek, had de in Sint Pancras geboren en in Amsterdam opgegroeide schrijver zijn sporen als literator verdiend.

Samen met zijn vriend en latere zwager K. Schippers richtte hij in 1958 het absurdistische literaire tijdschrift Barbarber op. Een jaar later ontving hij voor zijn dichtbundel Kokkels de Reina Prinsen Geerlingsprijs, in 1984 gevolgd door de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre en de P.C. Hooftprijs in 1994 voor zijn poëzie.

De naam Bernlef ontleende hij aan een blinde Friese balladezanger uit de achtste eeuw van wie geen teksten zijn overgeleverd. Toen hij zijn pseudoniem koos, zette hij er de J. van zijn tweede naam Jan voor, omdat hij Bernlef zonder meer te pompeus vond.

Pas in 2003, na ruim veertig jaar schrijverschap, liet hij de J vallen, maar eigen zeggen omdat dit initiaal voor verwarring zorgde (mensen spraken hem aan met Jan), maar mogelijk ook omdat hij na bewezen meesterschap vond dat hij de naam Bernlef verdiende.

Zowel in zijn gedichten als in zijn romans beschreef hij, als was hij een blinde, de niet zichtbare binnenwereld van mensen, waarin het vooral draait om taal, klank en muziek. In Hersenschimmen vervagen eerst de zichtbare beelden, maar zijn taal blijft bij hem.

Al vanaf zijn eerste verhalen was Bernlef op zoek naar de werking van het geheugen, de functie van herinneringen en vooral van taal.

Het diepst drong hij door in de werking van het brein als er sprake was van een defect: dementie in Hersenschimmen, een hersenbloeding in Eclips (1993), doofstomheid in Boy (2000), geheugenverlies na een auto-ongeluk in Buiten is het maandag (2003). Fascinatie voor „de creativiteit van het manco” noemde Bernlef deze inspiratiebron waaraan wij zijn onvergetelijke romans en gedichten te danken hebben.

Afgelopen jaar vierde hij zijn vijftigjarig schrijverschap. Fotograaf Allard de Witte maakte een foto van hem naast zijn eigen boeken. Die stapel was hem ver boven het hoofd gegroeid. „Ik heb mijn leven verschreven”, zei hij, zonder een zweem van spijt.

Bij het schokkende bericht van zijn dood dacht ik aan deze dichtregels van Bernlef uit 1994: „En plotseling kijk je jezelf in de rug/ terwijl de weg onder je voeten begint te koken/ het zijn niet langer je ogen/ het is je lichaam dat ziet”.