Wat Obama de wereld bracht...

President Obama is geen wereldleider gebleken die voorop loopt. Zijn mislukking in het Midden-Oosten was cruciaal.Guus Valk, Washington.

‘E en nieuw begin’, heette de toespraak die de pas aangetreden Amerikaanse president Barack Obama op 4 juni 2009 gaf in de Egyptische hoofdstad Kairo. En een nieuw begin zou het worden. Jaren van verwijdering tussen de Verenigde Staten en de islamitische landen onder George W. Bush zouden in de aula van de Universiteit van Kairo tot het verleden behoren. Amerika en de islamitische wereld, zei Obama, delen waarden als „rechtvaardigheid, tolerantie en de waardigheid van ieder leven”.

Ik keek naar de speech in een café in Tel Aviv. De televisie aan de muur haperde, maar de gasten luisterden ademloos. Mitt Romney zei tijdens het laatste tv-debat met Obama dat Israël destijds woedend was dat hij wel naar Kairo was gegaan en niet naar Jeruzalem, maar er was die dag in Israël vooral blijdschap te merken. Zou aan jaren van conflict dan toch een einde kunnen komen? Het zou een „historische vergissing” zijn, schreef de liberale krant Ha’aretz die dag, als de woorden van Obama „voetnoten” zouden worden in de eeuwige geweldscyclus in het Midden-Oosten.

De elektrische sfeer rondom Obama’s eerste maanden bracht verwachtingen in het Midden-Oosten. Er stond iets te gebeuren: misschien een herstart van het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen, meer vrijheid voor dissidenten in door de VS gesteunde dictaturen, een einde aan de oorlogen in Irak en Afghanistan.

Barack Obama’s buitenlands beleid heeft twee gezichten. Er is de Obama van het begin: hoopvol, ondernemend, en bovenal zichtbaar. Hij reikte de islamitische wereld de hand, inclusief Iran. Hij streefde naar een wereld zonder kernwapens. Deze Obama, de wereldburger die opgroeide in Indonesië en Keniaanse wortels heeft, won de Nobelprijs voor de Vrede in 2009. Deze Obama moest de internationale schade herstellen die de Verenigde Staten onder acht jaar Bush hadden opgelopen.

Er is ook de andere Obama. Die werd na ongeveer een jaar steeds duidelijker. Dat is de pragmaticus, die niet langer begon over het scheppen van een nieuwe wereldorde. Obama trad niet meer op de voorgrond, maar koos voor een meer onzichtbare rol.

Hoe verschillend hun wereldvisie ook was, Bush en de pas aangetreden Obama hadden iets gemeen: ze streefden naar een nieuwe wereldorde. Bush’ regering wilde na de aanslagen van 11 september 2001 actief ingrijpen in de wereld, en geloofde in het exporteren van westerse waarden naar onveilige gebieden in de wereld. Obama’s blik was progressiever, maar ook hij geloofde dat de wereld in zekere zin te herscheppen was. Toen hij aantrad, wilde Obama zijn nieuwe buitenlandse beleid opbouwen rond drie thema’s: hij wilde een betere relatie met de islamitische wereld, hij wilde actief samenwerken met bondgenoten in Azië en daarbij wilde Obama werken aan nucleaire non-proliferatie.

In het streven naar een wereld zonder kernwapens zouden de Verenigde Staten zelf het goede voorbeeld geven. Met Rusland spraken de Verenigde Staten in een nieuw START-verdrag af het arsenaal te verminderen tot 1.550 kernkoppen, 700 raketten en bommenwerpers en 800 lanceerinstallaties. Het verdrag, gesloten in 2010, tekent de relatief ontspannen relatie tussen Rusland en de Verenigde Staten, ondanks botsende strategische belangen wereldwijd.

Obama’s tweede doel, de blik op Azië richten, bleek in de praktijk vooral neer te komen op het indammen van China. De Amerikanen wantrouwen China, dat economisch en politiek sterk is opgekomen. Obama haalde vooral de banden aan met de Amerikaanse bondgenoten die zich rondom China bevinden, zoals Australië, Zuid-Korea, Japen en Kazachstan. De Amerikanen versterkten hun militaire aanwezigheid in de regio.

Obama en zijn minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton begonnen aan hun werk met de wereldwijde status van politieke supersterren. Obama probeerde die positie te benutten om meteen veranderingen te bereiken. Obama wist dat hij de betrekkingen met de Arabische wereld alleen kon verbeteren als hij iets deed aan het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen. De regering-Bush had daar nauwelijks aandacht aan besteed.

Obama benoemde een geroutineerde diplomaat, George Mitchell, als pendelaar tussen beide partijen. Mitchell moest een bouwstop afdwingen in joodse nederzettingen in bezet gebied, en tegelijkertijd de Palestijnse Autoriteit bewegen tot nieuwe gesprekken.

Het Israëlisch-Palestijns conflict werd één van de grootste mislukkingen in Obama’s buitenlandse politiek, en vormde de basis voor een slechte relatie met Israël én groeiend wantrouwen in Arabische landen. Clinton zei tijdens haar aantreden dat het afgelopen moest zijn met „de kolonisatie: geen nederzettingen, geen buitenposten, geen uitzonderingen”. Mitchell en Clinton waren niet opgewassen tegen de ervaren Israëlische premier Netanyahu. Ze kwamen niet verder dan een vage, tijdelijke bouwstop, die in de praktijk met voeten werd getreden. Het resultaat was één handdruk tussen Netanyahu en de Palestijnse leider Mahmoud Abbas.

Sindsdien ontbrak het Obama aan gezag om nog iets bij Netanyahu, met wie hij een koele relatie onderhoudt, te forceren. James L. Jones, de eerste jaren Obama’s belangrijkste binnenlandse veiligheidsadviseur, zei vorige week dat de Amerikanen in het Midden-Oosten „weer terug zijn op de plek waar we vier jaar geleden waren.” Jones: „Het is goed om alles van tevoren strategisch uit te stippelen. Maar vaak moesten we gewoon reageren op toevallige gebeurtenissen die op dat moment speelden”. ‘Een nieuw begin maken’ klonk goed, maar het verdween al snel in de onvoorspelbaarheid van het Midden-Oosten.

De Amerikaanse regering leek verrast toen in januari vorig jaar mensen in onder meer Tunesië, Egypte, Syrië, Jemen en Libië de straat opgingen tegen hun dictators. Sommige leiders hadden de steun van de Verenigde Staten, maar Obama kon moeilijk het verlangen naar democratie negeren. Tijdens de demonstraties in Kairo bleef de Amerikaanse regering lang achter president Hosni Mubarak staan, dertig jaar lang een trouwe bondgenoot. Pas toen Mubaraks positie onhoudbaar werd, riep Hillary Clinton hem op te vertrekken.

Egypte was in alle opzichten catastrofaal voor Amerika’s buitenlandse gezicht: het verloor de straat in Kairo, waar een enorme woede ontstond toen Hillary Clinton pas laat en in vage bewoordingen het regime liet vallen. Het initiatief in Egypte, de belangrijkste politieke steunpilaar in de Arabische wereld, raakten de Amerikanen kwijt. De nieuwe regering van Mohamed Morsi houdt afstand van Washington, al blijft de financiële en militaire hulp intact. Het wantrouwen was bovendien gevoed onder alleenheersers in andere bevriende naties in regio, zoals Saoedie-Arabië en Bahrein.

Het Amerika onder Obama neemt op deze manier iets meer afstand van de wereld. Dat was te merken in Libië, waar Obama na lang aarzelen toestemming gaf voor NAVO-aanvallen op doelen van dictator Moammar Gaddafi. Hij weigerde het voortouw te nemen, maar koos voor een strategie die symbolisch zou blijken voor zijn opvatting van buitenlandse politiek: ‘leading from behind’, leiden vanuit de achterhoede. De meeste NAVO-aanvallen werden uitgevoerd door Europese landen, Amerika’s rol was noodzakelijk, maar bescheidener. Obama gaf met zijn steun aan de aanvallen het beslissende zetje aan Gaddafi, zonder dat hij er Amerikaanse militairen op Libische bodem voor moest inzetten.

‘Leading from behind’ werd meer dan alleen een eenmalige strategie. De uitdrukking werd voor het eerst door Obama’s medewerkers in de Libië-oorlog gebruikt, en staat symbool voor zijn kijk op buitenlandse politiek. Amerika wordt, ondanks de verwachtingen die hij in het begin wekte, onzichtbaarder in de wereld. Toch, vanuit het comfort van de achterhoedepositie, behartigt Amerika de eigen belangen even hard.

De tijd van grote oorlogen is onder Obama voorbij. Hij beëindigde de aanwezigheid van Amerikaanse troepen in Irak na acht jaar, nadat Bush dit overigens al had toegezegd. In 2014 moeten de Amerikanen ook grotendeels uit Afghanistan vertrokken zijn. Het zijn oorlogen die niet alleen zeer impopulair zijn in eigen land, maar die na de economische crisis van 2008 onbetaalbaar zijn geworden.

Tegelijkertijd zet hij de van Bush geërfde oorlog tegen terrorisme heviger voort. Het is een oorlog die zelden het nieuws haalt, behalve toen in mei vorig jaar Osama bin Laden werd doorgeschoten in Pakistan door Amerikaanse Navy SEALs. Obama’s belangrijkste wapen zijn onbemande vliegtuigen. Daarmee werden de afgelopen tien jaar ruim 2.000 mensen gedood, veruit de meeste na Obama’s aantreden. Deskundigen wijzen erop dat de aanvallen niet secuur zijn en daardoor ook onschuldigen doden. Slachtoffers, onder wie de Amerikaanse Jemeniet Anwar al-Awlaki in 2011, worden bovendien gedood zonder proces. Amerikaanse doden in Afghanistan hebben een gezicht, iedere week worden hun foto’s afgedrukt in de Amerikaanse kranten. ‘Militanten’ en ‘jihadisten’ hebben dat niet. Amerikaanse risico’s zijn er alleen indirect. De betrekkingen met Pakistan en Jemen, waar de aanvallen meestal plaatsvinden, verslechteren. Bovendien kunnen ook andere landen de drone-strategie van de Amerikanen overnemen, waardoor de wereld een ingrijpende verandering van oorlogsvoering te wachten staat.

Obama zet in veel opzichten de lijn voort van Bush, maar hij werkt op de achtergrond. Nooit heeft hij het belang van oorlog gebagatelliseerd. Toen hij in 2009 de Nobelprijs voor de Vrede won, onderstreepte hij in zijn toespraak de noodzaak van het voeren van oorlogen. De verwachting van een progressieve buitenlandse politiek, die er zeker was bij Obama-kiezers en in het buitenland, kwam maar zelden uit. Guantánamo Bay is nog altijd open, ondanks een verkiezingsbelofte van Obama om de gevangenis op Cuba te sluiten. Obama weet dat er in eigen land nauwelijks discussie over is. De Republikeinen zullen geen fundamenteel andere buitenlandse politiek voeren. Tijdens het laatste televisiedebat met Mitt Romney, een week geleden, waren de gesprekspartners het over bijna alles eens. Romney zou nog strenger zijn tegen China en Rusland, maar trok de beginselen van Obama’s politiek niet in twijfel.

De onzichtbaarheid van Obama in de wereld is ingegeven door binnenlandse factoren: economische malaise, oorlogsmoeheid en een opleving van isolationisme onder de bevolking maakten zijn speelruimte beperkt. Technologie helpt: dankzij drones is hij in staat Amerika’s belangen te behartigen zonder dat de wereld er veel van ziet. Het ‘nieuwe begin’ van 2009 legde het af tegen het realisme van alledaagse internationale politiek.