Vis uit buurt Fukushima blijft radioactief besmet

De meeste zeevis die in de buurt van het Japanse Fukushima wordt gevangen is nog net zo radioactief besmet als een jaar geleden. De besmetting is relatief gering en blijft beneden de normen. Maar verontrustend is dat hij niet is afgenomen.

In Nature roept de Amerikaanse wetenschapper Ken Buesseler de Japanse autoriteiten op haast te maken met een onderzoek naar de verklaring van dit raadsel. Het zou kunnen beteken dat de verwoeste kerncentrales van Fukushima nog steeds radioactief materiaal naar zee lekken. Of dat de bodem voor de kust van Fukushima sterk radioactief vervuild is. Vooral bodemvissen blijken vaak sterk besmet.

Buesseler, verbonden aan het Amerikaanse oceanografisch instituut Woods Hole, werd al in een vroeg stadium betrokken bij het onderzoek naar de radioactieve besmetting van flora en fauna voor de kust van Fukushima. Op 11 maart 2011 raakten daar vier kernreactoren na een aardbeving en vloedgolf zwaar beschadigd. De rook van de branden bracht ongekend veel radioactief materiaal in zee. Het vuile bluswater voegde er nog extra radioactiviteit aan toe.

Het gaat in het bijzonder om de besmetting met de radioactieve isotopen cesium-134 en cesium-137. Anders dan zoetwatervissen hopen zeevissen het cesium niet al te sterk op. En in schoon water raken ze het ook weer makkelijk kwijt. Maar afgaande op de laatste visanalyses van de Japanse overheid stelt Buesseler vast dat de besmetting nu gemiddeld genomen nog precies even hoog is als een jaar geleden. Alleen oppervlaktevis lijkt geleidelijk aan wat minder vervuild. Overigens is de spreiding in de waarden groot, wat het voor gezondheidsautoriteiten lastig maakt veilig beleid te voeren.

Om het vertrouwen in de veiligheid van zeevis te herstellen heeft de Japanse overheid de normen voor toegestane radioactiviteit onlangs sterk verlaagd. Dit blijkt averechts te werken omdat veel vis nu ‘tegen de norm aan’ zit.