Vernieuwer die begrijpelijk wilde blijven

Vernieuwing en traditie komen samen in het werk van Hans Werner Henze. Atonale passages staan naast music-hall, jazz of volksmuziek.

Foto Robert Haughton

De Duitse componist Hans Werner Henze, die zaterdag in Dresden op 86-jarige leeftijd overleed, was een muzikale vernieuwer die in zijn werk de traditie een nadrukkelijke plaats gaf. Hij laat een gigantisch oeuvre na, met onder meer tien symfonieën, veertien balletten en zestien opera’s.

Henze’s grootste internationale succes, de opera Der junge Lord (1964) was in 1971 te zien bij de Nederlandse Opera. Verder werd hij hier zelden uitgevoerd, maar in 2005 maakte hij nog een flinke inhaalslag. Zijn opera The Bassarids (1964-’65) was te zien bij de Nederlandse Opera. En het Koninklijk Concertgebouworkest, dat zijn muziek sinds 1961 een aantal malen speelde en door Henze zelf ook werd gedirigeerd, speelde de wereldpremière van Sebastian im Traum (2003-’04), opgedragen aan het orkest.

The Bassarids (De Bacchanten), over koning Pentheus wiens volk zich aan de Dionysus-cultus overgeeft, bevat alle thema’s die Henze als componist én mens vormden: het individu tegenover de massa, het volk tegen de dictatuur, ratio versus zinnelijkheid; alles gesitueerd in de klassieke oudheid.

Het politieke engagement van Henze wortelt in de Tweede Wereldoorlog. Tijdens zijn jonge jaren in nazi-Duitsland had hij nauwelijks toegang tot ‘moderne’ muziek, die immers taboe was. Zijn vader raakte in de ban van het nazisme en liet het leven aan het Oostfront. In 1944 moest Hans Werner zélf, net zeventien, in dienst. Hij viel in handen van de Engelsen – een bevrijding, zei hij, want op de BBC hoorde hij werk van ‘verboden’ componisten.

Na de oorlog was Henze een van de eerste jonge componisten die het serialisme omhelsden. Tot in zijn recente werken bleven de sporen van Schönbergs reeksentechniek hoorbaar. Hij liet echter ook een luide stem horen tegen de ‘dictatoriale controle’ waarmee het serialisme gepaard ging.

De muziek van Henze staat onmiskenbaar in de Duitse traditie. Ondanks de beladenheid van die traditie weigerde hij de radicale conclusie van een ‘Stunde Null’ te trekken, zoals bon ton was onder avant-gardisten. Onder meer vanwege de conflicten en het isolement waartoe dit leidde, verhuisde hij in de jaren vijftig naar Italië.

Henze wilde begrijpelijke muziek componeren. Atonale passages staan in zijn werk vaak naast music-hall, jazz of invloeden uit de Napolitaanse volksmuziek. Dat hij in zijn opzet niet altijd slaagde, blijkt uit de vele scandaleuze premières.

In de jaren zestig voegde Henze zich bij de vredesprotesten van socialistische studenten. Critici en publiek zagen hem als verrader, terwijl links hem een salonsocialist vond. Toen de maatschappelijke en esthetische tegenstellingen minder scherp werden, won Henze aan respect. In Duitsland wordt hij inmiddels alom als held geëerd.