Opinie

Twee kanjers

Die PvdA in Groningen…’’, begon ik roekeloos, maar ik kreeg mijn zin al niet meer afgemaakt. „Wat kunnen mij die lui in Groningen schelen’’, zei mijn vrouw met een scherpte die deed vermoeden dat die lui in Groningen haar meer dwarszaten dan ze wilde toegeven.

„Ze maken er daar een mooie bende van”, hield ik vol, alsof ik er dagelijks van wakker lag. „Eerst vechten ze elkaar de tent uit en dan willen ze niet opstappen.” Uit mijn hoofd citeerde ik rapporteur Jacques Tichelaar: „Gericht op zelfbeschadiging en het openhouden van etterende wonden.’’„Doe niet zo vies’’, zei ze. „Wie is hier de viezerik? Ik of die etters in Groningen?”

„Wees ’s wat positiever! Lodewijk Asscher wordt vicepremier van Nederland en jij blijft zaniken over de PvdA in Groningen.”

„Misschien wordt het bij de PvdA in Amsterdam nu net zo’n rotzooi als in Groningen. Ze zullen Asscher missen.”

„Op zich is het doodzonde dat hij hier weggaat, maar landelijk kan hij voor de PvdA nóg meer betekenen.”

„Als alles goed gaat.”

„Begin je weer?”

Moeizaam, in het besef dat elk woord fataal kon zijn, begon ik enkele toekomstscenario’s te schetsen. Stel dat Asscher zijn partijleider Samsom vanuit het kabinet zou overvleugelen. Qua presentatie zou Samsom het altijd tegen Asscher afleggen, al zouden Samsons kansen stijgen naarmate hij minder geforceerd zou glimlachen; een glimlachende Samsom is een vis op het droge die vreselijke last heeft van zijn kieuwen. Asscher die populairder wordt dan Samsom – hoe lang kon dat goed gaan?

„Diederik kan daar best mee omgaan’’, zei mijn vrouw, alsof ze het hem net op zo’n gezellige partijbijeenkomst in Groningen gevraagd had. „Als hij daar bang voor was, zou hij Asscher toch niet gevraagd hebben? Het typeert juist zijn grandeur dat hij over zijn persoonlijke belang heen stapt.”

„Misschien”, zei ik, „maar er is ook een andere theorie mogelijk. Een boosaardige, maar tóch…Het politieke lot van Asscher ligt nu in handen van Samsom. Die kan hem maken of breken. Voor dat laatste hoeft hij maar te wachten op het goede moment.”

„Bizar!” riep ze verontwaardigd. „Journalistenparanoia! Jullie zien overal complotten en valstrikken.’’

„De geschiedenis heeft ze wel bruiner gebakken”, zei ik, en deed er toen veiligheidshalve even het zwijgen toe.

„Samsom en Asscher zijn nette politici”, zei ze streng, „laten we blij zijn dat de PvdA zulke kanjers heeft.”

Dit was de kans om mijn tweede troef geniepig uit te spelen. „Waarom eigenlijk geen vrouw als tweede bij de PvdA? Waar blijven die vrouwtjes van Diederik? Lilianne Ploumen minister? Nee toch? Heeft Wouter Bos toch weer zijn oogappeltje naar voren geschoven?”

„Dat begrijp ik ook niet’’, zei ze onwillig, „na alles wat ze Job heeft aangedaan.”

„Ik weet niet of Job er een etterende wond aan heeft overgehouden, maar het was wél een dolk die ze in zijn rug stak.”

„Laten we erover ophouden”, zei ze, „ik word er alleen maar verdrietig van.”

Ik kreeg een brainwave, zó’n sterke dat ook de aarde onder mij leek te golven. „Als Samsom zoveel grandeur heeft, waarom vraagt hij Femke Halsema dan niet om naar de PvdA terug te keren en minister te worden?”

Ik vond het een geniale suggestie, maar mijn vrouw stond op om naar bed te gaan, met of zonder mij.