Met kruisbogen de Rohingya’s te lijf

De onlusten in het westen van Birma breiden zich uit. Steeds meer dorpen staan in brand. „We vechten vandaag zodat we morgen kunnen slapen.”

Vanaf het hoogste punt in Mrauk U doen de met pagodes bezaaide groene heuvels in dit deel van Birma denken aan een sprookjesland. Maar de vreedzame sfeer is van korte duur. Vanuit het zuiden waait een zwarte rookwolk over de stad. De jongen die als gids optreedt tuurt de hemel af. „Een moslimdorp staat in brand”, concludeert hij met een bezorgd gezicht.

Niet veel later, aan de voet van de heuvel, verzamelen groepjes bewoners van het boeddhistische Mrauk U zich bij kruispunten en kiosken waarvan de houten luiken zijn gesloten. Een nieuwe rookwolk duidt erop dat een tweede dorp in vlammen opgaat.

De hoofdweg die leidt naar de brandende dorpen is afgezet door Birmese soldaten, maar een zijweg is open. Langs de kant van deze weg zijn vrouwen druk in de weer met bamboestokken. Sommigen slijpen scherpe punten aan de toppen, anderen binden er spijkers of metalen punten aan zodat ze op lansen lijken. Intussen vertrekt hun manvolk in de richting van de brandende moslimdorpen, opgezweept door het nieuws dat drie boeddhisten die ochtend zijn omgekomen in schermutselingen met de moslims.

Zwaar bewapend met zwaarden, kapmensen, katapulten, sikkels, lansen, hooivorken, kruisbogen en hier en daar een molotovcocktail trekt de meute ten strijde, te voet, op (motor-) fietsen of zich verdringend in de laadbakken van vrachtwagens en open bussen die af en aan rijden. Gevraagd waar ze heen gaan, maken enkelen een onmiskenbaar gebaar: zij trekken aan een denkbeeldige baard (de moslims hebben baarden) en strijken met de hand langs hun nek.

De boeddhistische bewoners van Mrauk U maken zich op voor een middeleeuws aandoende kruistocht tegen de moslims van de Rohingya-minderheid. Zwaar bewapende Birmese militairen, die een brug aan de oostkant van de stad bewaken, kijken toe, maar doen geen pogingen de colonne tegen te houden of te ontwapenen. Wat er precies in de moslimdorpen gebeurt is niet te zien omdat zowel het leger als bewapende boeddhistische groepjes onafhankelijke waarnemers buiten de deur houden.

Tot voor kort was de etnische strijd die in juni oplaaide tussen de Boeddhishe Rakhine en de islamitische Rohingya’s in de westelijke provincie Rakhine (ook wel Arakan genoemd), voorbijgegaan aan het landelijke Mrauk U, in vroeger dagen een toeristische trekpleister. Volgens de boeddhistische Rakhine-bevolking en de meeste Birmezen zijn de Rohingya’s illigale ‘Bangli’, immigranten uit Bangladesh, en ‘landdieven’. Volgens de Rohingya’s, van wie de meesten geen Birmees staatburgerschap hebben, wonen zij er al eeuwen. In juni verloren tienduizenden Rohingya’s hun huizen in en rond de provinciale hoofdstad Sittwe nadat hun wijken waren platgebrand door boeddhisten die wraak namen nadat een boeddhistische vrouw was verkracht en gedood door drie moslims. De Rohingya’s wonen nu geïsoleerd in vluchtelingenkampen en mogen de stad niet meer in.

De vonk die het vuur in Mrauk U deed oplaaien was de dood van een lokale rijsthandelaar. De boeddhisten, aangespoord door monniken, hebben sinds juni getracht alle moslims uit hun gemeenschap te verbannen en tevens gepoogd alle handel tussen boeddhisten en moslims tegen te houden. Boeddhisten wilden de handelaar een lesje leren omdat hij van plan zou zijn geweest 575 zakken rijst aan moslims te verkopen.

De Rohingya’s, die tot juni als landarbeiders voor de Rakhine-boeren werkten, kunnen al maanden hun dorpen niet meer uit en rijst is een schaars goed geworden.

Het officiële dodental is na een week van onlusten gestegen tot boven de 100 en meer dan tien Rohingya-dorpen in de buurt van Mrauk U zijn in de as gelegd. Onder de gewonden bevonden zich ook soldaten, maar over hun conditie is niets bekend. De meeste slachtoffers zijn gevallen onder de Rohingya’s.

In het theehuis aan de voet van de Shittaung, de belangrijkste tempel van Mrauk U, hangt een opgewonden sfeer. Twee vrouwen die uit de richting van de stad kwamen aangerend waarschuwen dat de „moslims in aantocht zijn”. Haastig worden de plastic stoelen en de uitstalling van toeristische snuisterijen in veiligheid gebracht. Een van de vrouwen trekt een familieportret van een omgekomen boeddhist uit haar boodschappenmand. De foto doet de ronde, waarop een man vervaarlijk met zijn zwaard zwaait. „We vechten vandaag”, legt een van de vrouwen uit, „zodat we morgen kunnen slapen.” In de avond, na de tweede dag van gevechten, is de stemming bedaarder.

Inmiddels hebben de onlusten zich verspreid en zijn er meldingen van schermutselingen en branden in Kyaukphyu, waar Zuid-Koreaanse aannemers een terminal bouwen voor olie- en gaspijpleidingen naar China.

Onder de Rakhine doen hardnekkige geruchten de ronde dat de Rohingya’s via het buurland Bangladesh wapens krijgen van de Talibaan. Onder de Rohingya’s leeft de vrees dat het geweld erop gericht is hen het leven in Arakan onmogelijk te maken zodat zij, nu de moessontijd ten einde loopt, massaal als bootvluchtelingen hun toevlucht zullen zoeken in naburige moslimlanden.

Bovendien koestert de Rakhine bevolking een diep wantrouwen tegen de Birmezen die zij verwijten maakt wegens een ‘genocide’ in de achttiende eeuw en wil ze zich afscheiden van Birma. En het gevaar dreigt dat de geweldspiraal in Rakhine een ontluisterend einde kan brengen aan de hervormingen die in Birma een jaar geleden door de president Thein Sein zijn gestart.