Liever de poëzie dan een hemeltergend huishouden

Karl Ove Knausgård: Liefde. Mijn strijd 2. Vert. Marianne Molenaar. De Geus, 602 blz. € 25,- *****

Hoe banaal zijn de alledaagse beslommeringen in de spiegel van het wereldbestormende schrijverschap? Heel erg banaal, maar ook, paradoxaal genoeg, fascinerend.

De Noorse schrijver Karl Ove Knausgård (1968) speelde lang een bescheiden rol in de literatuur met complexe, ontoegankelijke boeken. En opeens, zo gaat het verhaal rondom Knausgård, schreef hij in een vlaag van inspiratie in twee jaar tijd een zesdelige reeks die hij Mijn strijd noemt. Gewaagde titel, alleen al vanwege het suggestieve Min kamp in de oorspronkelijke taal. Op slag werd Knausgård beroemd én berucht. Zijn reusachtige onderneming van meer dan 3.000 bladzijden verwierf in Noorwegen een vergelijkbare status als de romancyclus Het Bureau van J. Voskuil in Nederland.

Zonder enige vorm van verhulling of van het fictionaliseren van autobiografische gegevens schrijft Knausgård over zijn persoonlijke belevenissen: vriendinnen, vrouw, drie kinderen, collega-schrijvers, vrienden, ouders. Onder zijn eigen naam voert hij zichzelf ten tonele.

Vorig jaar verscheen in Nederlandse vertaling het eerste deel, Vader. Nu is deel twee uitgekomen, Liefde.

Het woord ‘liefde’ in Knausgårds eenzame levensstrijd is eerder de onmogelijkheid tot liefde, tot behoud van de echte liefde. Schrijver Knausgård wil zich in dit tweede deel wijden aan de literatuur, aan het vervolg op Mijn strijd 1. Maar gedrens van kinderen, gezeur tijdens verjaardagsfeestjes, de dagelijkse ellende van boodschappen, de huwelijkse muizenissen, de hemeltergende familiebezoeken: het is hem alles een kwelling.

Knausgård is in de weergave hiervan keihard en genadeloos. Zijn verweesde omgang met de medemens, van eigen kind en echtgenote tot serveerster in het café, drijft hem in de armen van de hoge dichtkunst en literatuur: hij verlangt naar het heldere licht van Hölderlin en het theater van Henrik Ibsen. Sommige scènes doen pijn om te lezen, zeker waar het de kinderen betreft. Het eten geven aan een baby met gedoe van slabbetjes en lepeltjes krijgt de dimensies van een Griekse tragedie.

Toch is Liefde meer dan alleen de weergave van gespannen situaties. De auteur bedient zich van een bekoorlijk ritme in zijn beschrijvingen: onophoudelijk switcht hij tussen scène en gedachtegang. Of het nu een ouder-kind conflict is of het gaat over de vermeende vrijheid van het individu. Hij schrijft: ‘De manier waarop je met je gezin omgaat, is er eerder dan je gezin.’ Het is een fatalistische visie op menselijk gedrag, alsof er geen vrije wil bestaat. Ons gedrag is genetisch bepaald.

Deze visie is de verborgen leidraad van de cyclus. En geeft er een keihard fundament aan. Knausgård beschouwt het leven als zelfverloochening: liefde is helemaal geen liefde, ze is opoffering tegen wil en dank.

De hausse die zijn boeken in Noorwegen hebben veroorzaakt, hebben met herkenbaarheid te maken. De Nederlandse lezer die puur uitgaat van de tekst, heeft een heel andere houding. Maar wie kennis heeft van de Noorse receptie gaat zich tal van vragen stellen. Waarom zo onverbloemd autobiografisch, zodanig dat Knausgårds vrouw naar verluidt het mentaal zwaar heeft? Is het de literatuur waard dat vrienden zich van de auteur Karl Ove, zoals hij zichzelf in zijn boeken noemt, afwenden? Verliest in de Mijn strijd-reeks de rijkdom van fictie het niet van de banaliteit van het alledaagse? Plaatst de auteur de lezer niet ongewild in de rol van een voyeur?

Dit schrijverschap zonder schokdempers bezit voor de lezer een verslavende werking. Knausgårds bittere boodschap is zo authentiek en onontkoombaar, dat zelfs de kleinste wrevel tot een universele tragedie leidt. Dat heeft voor alles te maken met de stijl van de reeks: eerlijk, onverbloemd, direct, zonder enige ‘literatuurdoenerigheid’ om het zo te formuleren. Knausgård schrijft rücksichtslos realistisch, en dáárom is het fantastische fictie.