Opinie

Leuk is het probleem niet

Het is allemaal het gevolg van een misverstand. Deze zomer at ik op een terras aan het water toen een zeilboot voorbij kwam. „Een tweemaster”, zei een zeer beschaafde vrouw aan een belendend tafeltje. Om eraan toe te voegen: „Kitsch.”

Later bleek natuurlijk dat ze „kits” had gezegd. Kennelijk was de zeilboot kits getuigd, met een bezaan aangeslagen aan de achterste mast, en misschien nog een gaffeltopzeil ook, daar wil ik afwezen. Maar omdat ik door mijn gebrek aan wereldkennis „kitsch” had verstaan, bleef ik de maanden daarna vol bewondering voor mensen die zo deftig zijn dat ze kunnen neerkijken op een tweemaster.

Het begrip ‘kitsch’ liet me niet meer los. Ik begon het zelf ook te gebruiken. Toen ik zojuist de nieuwe film Amour zag van Michael Haneke, een film die in Cannes werd bekroond met de Gouden Palm, ja, toen was ik naar behoren onder de indruk van de acteursprestaties en de kunstzinnige inzet van de eerbiedwaardige regisseur. Maar tegelijk dacht ik: is deze film in zijn gehoorzaamheid aan alle artistieke conventies van de arthousefilm niet eigenlijk ook verschrikkelijk kitsch?

De serieuze filmrecensenten die ik erop nasloeg, vonden van niet. Met zijn portret van een bejaard echtpaar schetst Haneke weliswaar een ‘zeer herkenbaar’ beeld van aftakeling, prees de één, maar de serieuze regisseur benadert het verschijnsel van de liefde natuurlijk niet in ‘clichématige Hollywoodtermen’, loofde de ander. De film, zei een Vlaamse site, laat juist zien ‘dat een verbintenis tussen twee personen die van elkaar houden een constante uitdaging is’. Een observatie die kennelijk stukken origineler werd geacht dan een Hollywoodcliché. De deftigste criticus hadden zelfs tere herinneringen aan de vertoning in Cannes. ‘De hele zaal zat te huilen.’

De dagen daarna bleef ik geïnteresseerd in het verschil tussen een cliché en een Hollywoodcliché. Zou het soms minder authentiek zijn als de zaal zit te huilen bij de ene film dan bij de andere film? Zijn de tranen in de ene zaal misschien echter dan in de andere? In mijn boekenkast vond ik, zo erudiet ben ik wel, een boek over kitsch. Daarin schreef een scenarioschrijver dat die vraag lastig valt te beantwoorden. ‘Tranen zijn tranen.’ Veel verder kwam ik met dat huilen dus niet.

Maar er was me toch iets niet bevallen aan de achtenswaardige film. Iets kitscherigs. En dat ik vervolgens dagen op dat onbehagen bleef kauwen, kwam doordat overal geluiden opdoken over smaakbederf, kitsch en het verval van onze cultuur. In Die Zeit schreef een Duitse kunstcriticus bedenkelijk dat kitsch – vroeger een scheldwoord – nu de musea is binnengedrongen. Daarmee bedoelde hij dan werk dat glimt, behaagt en vermaakt. Vroeger behoorde zoiets tot ‘het kwaad in het waardesysteem van de kunst’, zoals de schrijver Hermann Broch het ooit noemde. Nu wordt het geestdriftig binnengehaald.

In Nederland schreef Abram de Swaan op gelijke toon dat in de wereld van de kunst verheffing is verdrongen door verstrooiing. ‘De meeste mensen kijken of lezen of luisteren meestentijds niet omdat ze iets willen leren, of desnoods willen afleren, omdat ze zich in iets willen verdiepen of naar iets hogers streven, maar omdat ze zich willen vermaken. Ze willen nu meteen en moeiteloos iets leuks meemaken.’

In beide gevallen werd hier de aanval ingezet op vermaak. Op dat wat leuk is en behaagt. En eerlijk gezegd kwam ik daar ook niet veel verder mee. Ten eerste omdat ik dol ben op alles wat leuk is en behaagt; ten tweede omdat het niet verklaarde wat ik zo bezwaarlijk vond aan een diep serieuze, weinig glimmende film die duidelijk niet de bedoeling had leuk te zijn.

Was ik misschien zelf ten prooi gevallen aan smaakbederf? Ik las, deed mijn best, verdiepte me, streefde naar het hogere en las godbetert zelfs een interview van Ian McEwan met Milan Kundera, waarin ze Ortega y Gasset citeerden – ‘in esthetisch opzicht zijn tranen en lachen allebei onecht’ – om erachter te komen wat me stoorde in de film. Kitsch, las ik, is zelffascinatie. Kitsch is het tegenovergestelde van onschuld. Kitsch is herhaling. Kitsch, zei ik hardop tegen mezelf, is het volkomen gebrek aan raarheid.

Politiek is kitsch, zei Kundera, omdat politici zeggen wat mensen willen horen. Kitsch is bevestiging, zei ik. ‘Wat een geniale schrijver!’, zegt de lezer. ‘Hij zegt precies wat ik ook altijd zeg.’ En ergens in dat mechanisme zat ook het kitscherige van de brave film die ik had gezien: in het samenvallen van verwachting en vervulling. In het kritiekloos gebruik van een geaccepteerde en hooggeachte stijl.

Nee, verstrooien en vermaken zijn volgens mij het probleem van onze cultuur niet. De film Les intouchables – ook Franstalig, ook over iemand in een rolstoel – is ontegenzeggelijk leuk. Maar juist door de onbekommerde vrolijkheid ervan ontsnapt het verhaal aan de kitsch. Ofschoon sommige bezoekers dan wel weer zo hoog verheven zijn dat ze zelfs op die film kunnen neerkijken. Zo schatte ene Cédric tijdens een discussie de kansen op een Oscarnominatie laag in: It’s way too light despite the wheelchair shit. Maar goed, dat is de echte deftigheid.